Daar gaat ie. Op zijn fiets. De ene broekspijp omhoog met een klemmetje. Vetvegen of, nog erger, rafelranden veroorzaakt door de ketting zijn uit den boze natuurlijk. In een bleek lentezonnetje peddelt de burgervader door de Schilderswijk, ZIJN Schilderswijk, en constateert tevreden dat hij nu al zeker een halve kilometer niemand Nederlands heeft horen spreken. Potdomme, met dit weer is het nét een exotische vakantie.

Veel volk op straat, ziet hij, en dat op een doordeweekse dinsdag. Veel levendiger dan de woonwijkjes waar iedereen overdag aan het werk is, dat geeft de stad kleur, dat soukh-achtige straatleven. Oh wacht effe, iemand schiet hem aan. Hij brengt zijn rijwiel langs de stoep tot stilstand. “Hallo, goede man. Wat hebt u op uw lever?” “Tazz wat kijk jij.” De jongeman gebaart naar zijn brommerrijdende makker aan de overkant. “Hee Ap. Appie! Rij door, deze is van de skotoe.” Dan, tot de burgemeester: “Fiets door vriend, ga niet praten weet je. Wat wil je lever? Wat ga je tegen mij zeggen?” Hij spuugt op de grond.

De burgemeester fietst verder. Wat ben ik toch aanspreekbaar, mijmert hij, jammer dat deze burger terugkrabbelde. Het is ook heel wat voor die jongens, staan ze zomaar met de burgemeester oog in oog! Dan worden ze verlegen. Misschien een assertiviteitscursus aanbieden in de wijk, niet vergeten een memootje te sturen straks. Of nee wacht, kickboksen. Goed voor hun zelfvertrouwen en dan kunnen die knapen hun energie lekker kwijt.

Genietend van van de opschriften op winkelpuien, die hij niet kan lezen maar die hem in de kromming van hun krullende letters naar verre, andere werelden wiegen, passeert hij een jonge vrouw. Achter haar maakt een groepje jongens vieze gebaren en ze sissen obsceniteiten. Hij zucht vermoeid. Meisje toch. Die heeft nog niet geaccepteerd dat deze stad een niet-westerse meerderheid heeft, en ze handelt er al helemáál niet naar. Met dat rokje. En zonder hoofddoek. Tja, zulke intolerantie kán gewoon echt niet meer, in het Den Haag van 2015.

Zijn gedachten dwalen af naar de vergadering vanmorgen. Een zware zitting, over jihadronselaars. Zoals altijd kwamen zijn ambtenaren met een rapportje over de kwestie terwijl hij, man van het volk, dat allang al had opgepikt. Op de fiets, ja, met zijn sociale antennes scherper op het Midden-Oosten afgesteld dan de rijen schotels aan de gevels. Een paar van die rekels had hij op televisie gezien, toen hij op vakantie was. IS-vlaggen, daar, op dat kruispunt dat hij nu nadert gebeurde het. Deksels jammer dat een paar van die kinderen, slachtoffer van politiegeweld en stageplek-discriminatie, hun sociale frustratie in deze kwetsbare, prachtige wijk uitten.

Hij zwaait vrolijk als hij langs de moskee fietst, die net uitgaat.Tweemaal, een keer naar de mannen-uitgang en een keer naar de dames. Niemand zwaait terug. Het is ook wel een erg groot contrast tussen hem en de moskeegangers. Zo’n witte mijnheer in een pak tegenover de bebaarde heren met mutsjes. En de vrouwen, oeps, mag hij daar eigenlijk wel zomaar naar zwaaien? Dat was misschien wel erg respectloos. Hij wrijft over zijn gladde kin. Een baard zou hem best staan. Misschien moet hij ook eens wat meer handelen naar het feit dat Den Haag een niet-westerse stad is. Zijn baard laten staan. Zo’n gehaakt mutsje dragen zo nu en dan. En zijn functie-titel aanpassen, straks eens uitzoeken of dat kan. Kalief van Aartsen, dat klinkt de Schilderswijkers vast vertrouwder in de oren.