Bij een kringloopwinkel kocht ik gisteren voor 1 euro 20 een boekje van Louis Paul Boon, ‘Het Jaar 1901’. Van Boon heb ik een en ander gelezen, ik ben een liefhebber, maar deze verzameling anekdoten uit politie-archieven nog niet. En hee, aan €1,20 kun je je geen buil vallen, wat u? Precies. Het bleek welbesteed geld, ik kon het boekje niet wegleggen. Boon compileerde een verslag van het jaar 1901 in de Vlaamse stad Aalst, aan de hand van oude procesverbalen en rapporten.

De misdaad in het straatarme Aalst bestond uit diefstal, burenruzies, zedenmisdrijven, een enkel gevalletje van messentrekkerij, een paar zelfmoorden en een vleugje vandalisme. Uit de archieven doemt het beeld op van een keihard leven voor de onderklasse: kinderarbeid in fabrieken (genever schenken aan kinderen was in 1901 nét verboden, en ze mochten ‘pas’ vanaf hun veertiende aan zware machines werken, maar daar hield kinderbescherming wel op), alcoholisme, bedelarij, aanranding en incest waren aan de orde van de dag. In schitterend Vlaams, volks maar door de dienstdoende agent der politie soms overdreven plechtstatig geparafraseerd, doet men getuigenis van het onrecht dat er is geschied.

De bevolking van arbeiders en boeren lijkt bikkelhard. Tegen anderen, men misbruikt, besteelt, molesteert en vernaggelt elkaar dat het een aard heeft, maar ook voor zichzelf. Geen van de mensen die we tegenwoordig ‘slachtoffers’ zouden noemen maakt gewag van een gebrek aan stageplaatsen of ‘de omstandigheden.’ Enkele jeugdige ‘straatlopertjes’, blootsvoetse jochies van 10 jaar oud die met ettelijke gestolen zilveren franken op zak worden betrapt als zij wat al te joyeus worst en genever bestellen in de herberg, geven weliswaar elkaar de schuld. Maar niemand die meent dat zulke jonge kinderen zonder ouderlijk gezag weinig te verwijten valt.

Als een meisje door een ongeluk levend verbrandt op een bouwterrein, hangt men nadien een bordje op “Verboden op de werken te komen” en daarmee is de kous af. Slachtofferhulp voor de ettelijke kinderen die getuige waren van dit incident komt niet ter sprake. Een fabrieksdirecteur die een twaalfjarige arbeidster mishandelt, moet zich alleen verantwoorden voor de leeftijd van het kind, niet voor het gebruikte geweld. Het kind is nog geen veertien dus had niet aan een zware machine mogen werken. De man komt ermee weg door simpelweg te stellen dat het meisje loog over haar leeftijd.

Het is verleidelijk om vanuit deze gepamperde rubbertegelmaatschappij, waar het slachtofferdenken welig tiert, met valse nostalgie terug te kijken op de tijden toen, die zo veel ruwer maar ook veel ongecompliceerder lijken. Als je leest over een kapotgefeminiseerde  GroenLinks-meneer die actie voert voor zittend plassen, want dat is veel hygiënischer, dan wens je dat hij eens het pissijn kon zien, tegen de muur (!!) van de Aalster Sint Maartenkerk, waar ene Benoni Lampens en Leo Brand na de zondagmis schunnige dingen riepen naar Mietje Sluis en Jeanneke Droes, breister van beroep. En na de zoveelste liquidatie in de uitzichtloze bende-oorlog is het makkelijk om te verlangen naar tijden waarin men geschillen beslechtte met een inderhaast uitgeschopte houten kloef (klomp) in de hand.

Had de Aalstenaren van toen eens geprobeerd uit te leggen wat subsidie überhaupt ís, en poogde ze daarna maar aan het verstand te brengen dat er tot vorig jaar anderhalf modaal jaarsalaris van rijkswege werd uitbetaald om stil te staan bij fouten die onze verre voorouders begingen. “Kom nu, voor wie neemt ge ons?” hadden ze gezegd.

Het was allerminst een idylle, dat Aalst in 1901. En in ruim een eeuw zijn we als mensheid behoorlijk opgeschoten qua beschaving. Misschien een beetje doorgeschoten, maar allicht moeten we zittend-plassen-gekkies en subsidiesponzen maar voor lief nemen in een tijd waarin we zwangere dertienjarigen, zwaar huiselijk geweld, kinderslavernij en opsluiting van zotten beslist niet meer normaal vinden. Oh, en problemen met buitenlanders hadden ze toen ook al, in Aalst.

“Toen de ondercommissaris proces-verbaal tegen hem opmaakte, werd Hermann-Jozef Schölzel uit Pruisen zo woedend, dat hij tegen de schrijftafel van de ondercommissaris aanschopte, zodat de inktpot erbij omviel. ‘Leugenaars,’ riep hij, ‘valse Belgen, ik zal onze Konsul verwittigen!’ En toen dit geen indruk maakte riep hij ook nog, wít van woede: ‘Wacht tot we met onze Grosse Bertha komen!’”