Het besluit van het Openbaar Ministerie om PVV-leider Geert Wilders te vervolgen vanwege zijn uitspraken over Marokkanen, biedt liberale politici een uitgelezen kans om de wetgeving rond groepsbelediging en haatzaaien eens onder vuur te nemen. Helaas viert lafheid hoogtij.

Er was een tijd, niet zo heel lang geleden, dat onze premier het voortouw nam in dit soort kwesties. In 2009 pleitte Mark Rutte als een ware liberaal voor een ruimere vrijheid van meningsuiting. Zo vond hij dat ontkenning van de Holocaust moet worden toegestaan. “Ik denk op zichzelf dat als iemand zegt: ik denk dat die Holocaust niet heeft plaatsgevonden – terwijl er bibliotheken vol liggen met bewijs – dat die dat moet kunnen zeggen,” aldus Rutte. “Dat moet dan bestreden worden in het maatschappelijk debat.”

Heilige huisjes
Verstandige woorden. Iedereen zou het recht moeten hebben op het uiten van zijn mening, ook als het een domme of beledigende mening betreft. Hoe extreem de samenleving die meningen ook vindt, vrijheid van meningsuiting is een farce als ze alleen geldt voor opinies waar de overgrote meerderheid zich in kan vinden. Bovendien kan publiek debat kan alleen open en eerlijk worden gevoerd als er ruimte is voor degenen die niets ophebben met de taboes, dogma’s en heilige huisjes van de massa. Zonder tegenspraak geen vooruitgang.

Destijds zag Rutte het allemaal nog haarscherp. Nu, vijf jaar later, kiest hij het hazenpad, net als andere politici die burgerlijke vrijheden zo hoog in het vaandel beweren te hebben staan. In plaats van deze kwestie te gebruiken voor een principiële stellingname tegen bekrompen en gedateerde artikelen die het mogelijk maken dat politici worden vervolgd en boeken kunnen worden verboden, blijft het angstvallig stil vanuit de liberale burelen van de Tweede Kamer.

Zelfvertrouwen
Hoe anders gaat dit in de Verenigde Staten, waar de – linkse! – ACLU en New York Times het lef hebben het op te nemen voor een extremistische kerk die met anti-homoborden – op redelijke afstand – wil demonstreren bij begrafenissen. Daarmee geven ze blijk van een indrukwekkende toewijding aan de vrijheid van meningsuiting. In de Verenigde Staten begrijpen ze dat wanneer de vrijheid van expressie van de ander wordt ingeperkt, er geen reden is waarom dit niet ook zomaar met die van jou kan gebeuren.

Uit de lauwe reacties op de vervolging van Wilders blijkt dat Nederlanders het zelfvertrouwen missen dat de Amerikanen tentoonspreiden in dit soort kwesties. Wij hebben geen debatcultuur. Meningen die de onze niet zijn, kunnen we maar moeilijk verkroppen. In plaats van ze van een weerwoord te voorzien, roepen we met gebalde vuisten om vervolging.

Motie van wantrouwen
Dat veel Nederlandse burgers niets voelen voor of zelfs bang zijn voor een ruimere vrijheid van meningsuiting, laat niet alleen een gebrek aan liefde voor vrijheid zien, het zegt ook veel over hoe volgzaam we zijn geworden. We vatten dergelijke beperkende wetgeving niet eens meer op als de motie van wantrouwen die hij in feite is.

Immers, een overheid die beperkingen oplegt aan de vrijheid van meningsuiting van haar onderdanen – want dat zijn ze dan; vrije burgers zouden dit immers nooit accepteren – zegt daarmee glashard niet te geloven in hun weerbaarheid, in hun vermogen tot zelfreflectie en het voeren van publiek debat. Gezien peilingen waaruit blijkt dat minder dan de helft van de Nederlanders op Wilders’ vrijspraak hoopt, moeten we misschien wel de conclusie trekken dat dit de overheid en de wetten zijn die wij als land verdienen.