Dat satire niet alleen mag maar zelfs moet en aan de waarheid van ons menselijk bestaan raakt, kun je afleiden uit George Orwell’s Nineteen Eighty-Four. Het boek is een bittere satire op een politiek systeem dat een perfecte greep heeft op het doen en laten van de onderdanen, zo erg dat ze niet meer kunnen nadenken. Door Orwell kunnen we over dit scenario wel nadenken (o.a. ‘wat doet totalitaire macht met mensen? Hoe voelt onvrijheid? Wat is het wezen van de mens?’). De invloed van dit werk -maar eigenlijk van alle goede fictie- op ons begrip over de werkelijkheid is enorm, groter wellicht dan wat de exacte wetenschappen, God en Allah bij elkaar aan waarheid opleveren of opeisen.

Onze huidige situatie, die gekenmerkt wordt door grote onverschilligheid voor grote veranderingen en onvrede over bijzaken, heeft behoefte aan meer onstuimige fictie, als een bron om uit te putten, een mentale omleiding die het nadenken helpt, want daarmee gaat het helemaal niet goed. Behoefte aan -bittere- satire dus, aan muziek, aan grote doeken vol met boze verfspatten, poëzie en literatuur, ‘Erdogan-hamburgers’ met geitenkaas, doorspekt met wat er leeft, voor de een om te bewonderen en voor de ander om te becommentariëren. Niets is verboden, alles mag. Al was het maar om te weten wat we zullen missen. Zonder fictie (alles wat geen waarheid pretendeert te zijn), in de breedste zin, is er namelijk überhaupt geen werkelijkheid. Alles zou een geïsoleerd ‘gelijk’ zijn, macht dus, tegenover een geïsoleerd ‘ongelijk’, onderdrukking. Zonder fictie is de werkelijkheid niet om te harden. Ik wou dat ik het met een trompet kon laten horen, met een gedicht kon laten zien.

Connie Palmen zei deze week na het winnen van de Libris Literatuurprijs: ‘we kunnen de waarheid niet kennen. We weten niet waarom dingen gebeuren, wat er staat te gebeuren, we weten het gewoon niet’. Dat klinkt misschien verlammend. Toch legt ze in haar boeken bloot wat eerst onzichtbaar was: de motieven van (bepaalde) mensen, hun verlangens, wat schuld is, wat spijt is, wat van waarde is. Dat is de magie van fictie. Het geeft mensen, lezers, de kans zelf te begrijpen waarom iets gebeurt, en wat hun rol in het leven zou kunnen zijn. Het schept.

Fictie is het belangrijkste wapen tegen ‘de enige waarheid’, die van een God of een dictator. Zie hier de werkelijke reden waarom fictie (dus satire, prenten, boeken en alles wat per definitie kritisch is) momenteel zo aangevallen wordt. Niet omdat de woorden kwetsend zijn, niet omdat het ‘onnodig’ zou zijn, maar omdat we er misschien dingen mee gaan begrijpen die de gevestigde macht ondermijnt.

En andere reden waarom satire verdedigd moet worden is omdat er geen redelijk alternatief is om in de buurt van de waarheid te komen. Op het niveau van gelijkhebberij dringt namelijk weinig meer tot ons door. Ik kan hier bijvoorbeeld -alweer- opschrijven dat de vrijheid van meningsuiting belangrijk is en ter onderbouwing hiervan een arrest noemen van het Europese Hof van de Rechten van de Mens uit 1976 waarin is bepaald dat vrijheid van meningsuiting ook betekent dat je het recht hebt ‘to offend, shock and disturb’, maar waarom? Mijn woorden leggen niet meer gewicht in de schaal dan van diegene die zegt dat ‘woorden ook wapens zijn’ (zoals kalasjnikovs wapens zijn) en die geschilderde hakenkruizen op straat ook maar een mening vindt, wat het dus nou juist -bij wet- niet is. Ik hoor steeds vaker dat mensen te moe zijn om aan discussies mee te doen. Dat snap ik wel.

Terug naar Orwell, die met fictie als instrument de werkelijkheid aantikte, namelijk die waarin wij nu zelf terecht zijn gekomen. Ik vond het idee van ‘Big Brother’ al in mijn tienerjaren fascinerend, net als de ‘two minutes of hate’ die de partijleden van Oceania dagelijks in een zaaltje kregen om stoom af te blazen en de zoektocht van de hoofdpersoon, Winston Smith, naar de ontbrekende regels uit een kinderversje die hij zich vaag herinnerde, maar die -net als de hele geschiedschrijving- gewist waren uit zijn geheugen. Ik griezelde bij het idee dat kunst, literatuur en gedachten in de toekomst niet meer bestonden, dat er zware straffen stonden op ‘thoughtcrime’ en dat er niets zou overblijven van onze emoties behalve angst, haat en zelfverachting. Deze ‘fictie’ is eigenlijk kinderlijk eenvoudig en staat met haar voeten in de werkelijkheid. Waar macht totalitair wordt (en die neiging heeft het van nature) worden individuen namelijk inderdaad miezerige onderdanen.

We zitten in een soort Orwelliaans voorstadium van het uitwissen van onze collectieve geschiedenis, die waarin we toch belangrijke lessen hadden getrokken. Wat is daarvan over? Van de bescherming van minderheden, van vrouwen, van onze vrijheid? Het klinkt natuurlijk vreselijk Nineteen Eighty-Four, maar als je niet oppast sluipt het je hersenen in en praat je straks alleen nog maar je buurman na. Dan zijn je gedachten niet meer vrij en weet je niet meer wie je bent. Over deze ‘fictie’ kunnen mensen die werkelijk in onderdrukking leven meepraten.

Om wat Orwell in zijn eigen satire beschrijft mag fictie niet verdwijnen, het biedt een mentale oefening in het zien, het herkennen van de werkelijkheid, de waarheid zo je wilt.  Opdat wij kunnen zien beelden kunstenaars en componisten in schilderijen en muziekstukken het onmetelijke leed van oorlogsslachtoffers uit. Opdat wij kunnen zien hebben cartoonisten geprobeerd ons de idiotie van de radicale islam te tonen en komieken de nietigheid van dictators. Satire is niet kwetsend, het verbieden ervan wel. Voor de mensheid als geheel.