Het is maar zelden dat een nieuw systeem of stelsel tot iets goeds leidt. Maar nieuwe stelsels en systemen kunnen het goede wel gemakkelijk de nek omdraaien. Dat lijkt opnieuw te worden bewezen door het nieuwe stelsel van studiefinanciering dat vorig cursusjaar is ingegaan.

Het aantal eerstejaars dat op kamers gaat wonen is dit jaar gehalveerd, zo werd gisteren bekend. En de reden is duidelijk: studenten krijgen geen basisbeurs meer maar moeten lenen en krijgen dan 270 euro per maand minder. In het collegejaar 2014/2015 woonde nog 28 procent van de startende studenten onder de 19 op kamers, een jaar later was dat nog maar 13 procent. Bijna de helft van de studenten die nog thuis woont, zegt daarvoor te kiezen omdat ze geen basisbeurs krijgen.

Studenten gaan nu studeren in een stad die dicht bij het ouderlijk huis is. Ze reizen een paar keer per week per trein naar de uni, volgen colleges en gaan weer naar huis. De student is gereduceerd tot forens.

Dat vinden ze zelf helemaal niet erg, las ik in Trouw. ‘Op kamers gaan’, vertelt een studente van een Rotterdamse hogeschool, ‘dat wil ik wel maar dat kan niet door geldgebrek. Het is ook niet echt nodig omdat ik zo dichtbij woon. Mijn ouders betalen nu de studiekosten maar gaan niet nog meer betalen. Een lening wil ik niet omdat je dan met een schuld begint zodra je afgestudeerd bent. Ik schaam me niet dat ik nog bij mijn ouders woon.’

Is dit erg? Ja, dit is heel erg. Ik vertel mijn leerlingen op de middelbare school in Rotterdam altijd dat je studietijd misschien wel de mooiste tijd van je leven is. Je bent verlost en bevrijd van heel veel kinderachtig gedoe dat het leven op een middelbare school nu eenmaal kenmerkt. Bevrijd ook van heel veel vakken die je vaak maar matig kunnen boeien. Er breekt nu een periode aan zonder betutteling, een periode van vrijheid, een periode waarin je je uitsluitend bezighoudt met een onderwerp waarvoor jezelf hebt gekozen en waar je alles van wilt weten. En de tijd van grote verantwoordelijkheden ligt nog in het verschiet. Je loopt nog niet achter een kinderwagen.

En dan heb ik het nog niet eens over de sociale kant, die misschien wel net zo belangrijk is als de intellectuele. Je studietijd is ook een tijd van overleven. Van leven met heel weinig geld – wat een goede en zeer nuttige ervaring is. Van het overleven van bacteriën, muizen en andere ongerechtigheid in studentenhuizen. Van eten leren koken en samen de boel draaiend houden. En natuurlijk vooral: van de grote vragen en de grote discussies. De zoektocht naar een politieke en levensbeschouwelijke mening, de deugdelijkheid van de onderbouwing van welk standpunt dan ook. Een tijd dus ook van twijfel en aanvechting, met veel nachtelijke discussies, al dan niet besprenkeld met alcoholische versnaperingen. Niets is zo vormend als dit alles. Een geweldige tijd.

Dit alles dreigt nu dus te verdwijnen. Studenten blijven bij papa en mama wonen, in afgestofte doorzonwoningkamertjes, eten iedere avond gezond, en gaan op tijd naar bed. Er is ergens een uitspraak van Abraham Kuyper over echte gereformeerden die volgens hem niet bij moeders chocolademelk maar bij goede oude jenever worden gekweekt. Zoiets zou je ook kunnen zeggen om het oude en het nieuwe studeren met elkaar te contrasteren. Het is al te braaf. Studeren is ook het tarten van de grenzen van de braafheid, het overschrijden van de grenzen van de vrijheid, om uiteindelijk de heilzame begrenzing van ons leven te leren kennen.

Financieel is het moeilijker geworden, dat snap ik ook wel. Maar ik zou zeggen: durf te leven. Schnabbel er wat bij, leen wat meer (dat betaal je wel weer terug), want deze kans, deze eenmalige kans op ongekende vorming en eeuwige vriendschappen moet je je nooit laten ontnemen. Studeren is ook: het systeem tarten.