Het onderdrukken van seksuele driften wordt in onze hele geschiedenis als deugd gezien; als teken van karakter en kwaliteit; als voorwaarde voor beschaving. We zien dit al bij de beproevingen van Odysseus en de ethische leerstellingen van Socrates; het gaat door met de maagd Maria, de aseksuele Jezus, de vrome koningen, de heiligen, Jeanne d’Arc… In die lijn past ook de les die sinds jaar en dag uit de ondergang van het Romeinse Rijk wordt getrokken: decadentie, seksuele uitspattingen, hedonisme: het is een teken van zwakte en levensmoeheid.

Daartegenover staat die al even Europese viering van seksualiteit en levenslust – belichaamd door Dionysus, bezongen door de troubadours en uiteindelijk neergedwarreld in volksverhalen en mythes, tot aan de hedendaagse bevrijdingsbeweging en het enthousiasme voor seksuele vagabondage aan toe.

Twee zielen in onze borst: remming en uitspatting, inhouding en uitleving. Alle Europese helden zijn doortrokken van het conflict: Faust die vroom wil leven maar uiteindelijk een pact sluit met de duivel om de bevallige Grätchen te kunnen schaken; Don Quichot die elk seksueel verlangen in zichzelf onderdrukt en een krankzinnige strijd begint tegen ‘windmolens’; Lancelot, de beste ridder van de Ronde Tafel, die een affaire aangaat met Guinevere – de vrouw van koning Arthur – en zo het koninkrijk in het verderf stort.

De meest aangrijpende illustratie van het conflict tussen kuisheid en decadentie, tussen geestelijke bezieling en lichamelijk genot, is echter het Bijbelse verhaal van Salomé, dat een heuse rage werd in de negentiende eeuw en dat door tientallen schrijvers en dichters (zoals Flaubert, Heinrich Heine, Mallarmé en Oscar Wilde) als motief werd gebruikt. Het verhaal speelt zich af aan het hof van koning Herodes. Deze Egyptische heerser heeft de vrouw van zijn broer afgepakt. Haar beeldschone dochter Salomé, voorheen zijn nichtje, is daarmee zijn stiefdochter geworden. En net als Humbert Humbert heeft Herodes juist op haar zijn zinnen gezet. Temidden van uitgebreide diners en drank laat zij zich zijn avances welgevallen.

Dan wordt Johannes de Doper binnengebracht. Zijn sereniteit, zijn onschuld brengt Salomé in een innerlijk conflict. Hij is als het ware een extern geweten. Maar in plaats van haar leven te veranderen, probeert ze van hem af te pakken wat haar zo steekt, wat hem zo superieur maakt: zijn zuiverheid. Ze probeert hem te verleiden. Wanneer Johannes niet op haar avances ingaat, besluit Salomé voor haar stiefvader de ‘dans van de zeven sluiers’ op te voeren (weergaloos op muziek gezet door Richard Strauss – filmcomponist Jerry Goldsmith gebruikt het thema later in de film Basic Instinct). Onvermijdelijk valt Herodes voor haar hypnotiserende schoonheid. Hij belooft haar ‘alles’ te geven wat ze van hem vraagt – en Salomé eist het hoofd van Johannes. Opnieuw verliest de kuisheid het van de seksuele drift – en opnieuw komt daar onheil uit voort.