Nationalisme is niet best, maar het politiekcorrecte frame dat iedere liefde voor het eigene brandmerkt als nazisme moet afgebroken. Daarom claimen we het terug: met patriottisme, want daar kan iedereen van houden.

‘[Noam Chomsky] did not finally think that the United States of America was a good idea. He thought it had been sort of all genocides since Columbus, basically. That’s not simplifying his opinion by very much.’ Aldus sprak Christopher Hitchens over zijn voormalige ideologische bondgenoot. Wat Chomsky zegt, resoneert echter bij progressieven in de gehele westerse wereld, niet in de laatste plaats in Nederland: het eigen land mag je niet de moeite waard vinden. Want dat is nationalisme. En nationalisme lijkt op nazisme.

Vooral de progressieve intelligentsia loopt traditiegetrouw te hoop tegen ieder nationalisme. Dat is ironisch omdat diezelfde mensen doorgaans van de daken schreeuwen dat Amsterdam de beste stad ter wereld is. Kijk, dát is nationalisme, toegepast op een kleinere eenheid van mensen. Dát moeten we niet willen. Het antwoord op hun arrogante onderbuik is patriottisme; genegenheid en milde hartstocht voor het nationale collectief en het eigen land.

Ons land verdient geen krans

We zagen recentelijk nog hoe streng in de leer de progressieve goegemeente helaas nog altijd is. Geerten Waling, historicus en Jalta-auteur, schreef samen met vakbroeder Coos Huijsen over de vormende teksten van Nederland. De geboortepapieren van Nederland, met daarin onder meer het Plakkaat van Verlating hertaald en toegelicht, kon op kritiek uit progressieve hoek rekenen. Enkel en alleen omdat Waling en Huijsen het nationale verleden benaderden als precies dat: het nationale verleden, als geschiedenis die ons verbindt en waarin zo nu en dan een leerzaam en eervol briljantje te vinden is.

Maar voor zo een ijverige progressief als Thijs Kleinpaste heet de historische verbinding tussen onze geschiedenis en onze identiteit, het ‘dienstmaagdelijk uitleveren van de geschiedenis aan de instandhouding van nationale cliches’. Identiteit is voor Kleinpaste kennelijk opgebouwd uit clichés – en clichés zijn er om ‘te ontzenuwen’; identiteit is er om te ondermijnen. Dat is de rol van de historicus volgens Kleinpaste. Martin Sommer kenschetste die houding als een ‘gelijkhebberigheid van de betere feiten’.

Nationalisme patriottisme

De progressieven hebben het niet zo goed begrepen. Ideologie staat hen, zoals vandaag zo gewoon is in wetenschap en denken, in de weg om zuivere onderscheidingen te maken. In een poging de bezwaren tegen kosmopolitisme en multiculturalisme uit de weg te ruimen, vegen de antinationalisten patriottisme en nationalisme op één hoop. Beide zijn verdacht, doordat nationalisme verkeerd is. Er is echter een groot verschil tussen patriottisme en nationalisme. Dat verschil werd zelden eloquenter en nooit mooier verwoord dan door Johan Huizinga in Patriottisme en nationalisme in de Europeesche geschiedenis tot het einde der 19e eeuw.

Huizinga beziet patriottisme en nationalisme vanuit de antiek-Griekse beginselen van genegenheid en twist. Hij karakteriseert patriottisme als ‘de wil tot handhaving en verweer van wat eigen en dierbaar is’. Dit slaat zowel op de natie als het land (niet ‘staat’): ‘ons besef van eigen land bloeit in de sfeer van kinderherinneringen en terugverlangen, nostalgia’. Patriottisme heeft tegenwoordig ook een meer Angelsaksische betekenis gekregen: vaderlands- én vrijheidsliefde. Patriottisme valt in de sfeer van de genegenheid. Nationalisme, daarentegen, is vooral trots, een drijfveer voor strijd tussen naties. Met het oog op nazi-Duitsland en de Tweede Wereldoorlog, die bij publicatie (februari 1940) van het boek al woedde, schrijft Huizinga: ‘nationalisme, de machtige drift tot heerschappij, de zucht om het eigen volk of den eigen staat te laten gelden vóór, boven en ten koste van andere.’ De agressie en de hoogmoed die aan het nationalisme inherent zijn, plaatsen het onmiskenbaar in het kamp van de twist.

Dus ja, nationalisme is een gevaarlijk sentiment dat gemakkelijk politiek productief gemaakt kan worden. De kritiek op het nationalisme is terecht. Maar die overspannen kritiek op ‘nationalisme’ is donquichotterie. Wie is er immers nog overtuigd nationalist? Wie haalt voor alle andere landen en volken, behalve zijn eigen, nog de neus op? ‘Ieder beschaafd en weldenkend mensch heeft naast zijn eigen volk enkele vreemde naties lief, wier land hij kent, wier geest hij bemint,’ doceert Huizinga. En zo is het precies. Dat onversneden nationalisme waarover onze progressieven zich zo druk maken, bestaat in Europa niet meer. Patriottisme is er wel, die simpele genegenheid voor dat wat ons verbindt, voor de plek waar we samen leven. Dat gevoel wordt verdacht gemaakt, maar het is er wel. Dat – en niet de culturele zuiveringen die ons van ieder identiteitsgevoel moeten beroven – houdt een samenleving bij elkaar.

Constructie en deconstructie

Nu we het positieve van patriottisme hebben gewaardeerd, is het zaak om te argumenteren voor een ommezwaai in het denken van degenen die ertegen zijn. Het is vrij simpel: je kunt er haast niet tegen zijn. Tegen de minzame handhaving van het eigene en het waardevolle argumenteren, is een zo radicale vorm van weg-met-ons-denken dat de medische wetenschap harder moet werken aan de mogelijkheid tot hersenimplantaten.

De haat tegen onze identiteit – een belangrijk object van patriottisme – uit progressieve hoek, is best aardig verborgen achter een ogenschijnlijk sterk argument. Het gaat ongeveer zo: nationalisme (en patriottisme) zijn onzinnig, want het zijn constructen. Het zijn politieke instrumenten die niet corresponderen met iets in de werkelijkheid, ze zijn verzonnen. Nationalistische gevoelens hebben, is zoiets als geloven in gnomen. Een kinderlijke bezigheid waarvoor ontwikkelde en geestelijk volwassen mensen geen tijd hebben.

Er zijn twee dingen mis met dit argument. In de eerste plaats spreekt er dat typische puriteinse rationalisme van de betere progressief uit: er is in de samenleving alleen plek voor het rationele. Het irrationele, gevoel bijvoorbeeld, kan slecht rationeel begrepen worden en is daarom gevaarlijk en moet worden genegeerd. Patriottisme is, net als de vergelijkbare emotie van de liefde, een gevoel en een hartstocht. Daarom wordt het gevaarlijk bevonden en daarom verblindt de ideologie wederom het zicht op de werkelijkheid: een gevoel kan er wel zijn, maar het mag er niet zijn. Daarom ligt de verwerping van patriottisme al vast op basis van de kaders die het progressieve denken beperken. Dat is omgekeerde scholastiek, geen eerlijk argument.

In de tweede plaats zien we een constructie-deconstructie-argument. Dat is bon ton aan onze universiteiten. We moeten alles opvatten als (cultureel of politiek of machts-) construct, om dat construct vervolgens in de fik te steken en ons daarover goed te voelen. Ondermijnen is verlicht, funderen is verdacht. Volgens deze doctrine moet alles wat zich aandient, tot construct verdrukt worden. Onze opvatting van het verleden is een historisch construct en hetzelfde geldt voor onze identiteit. Dergelijke grootheden tot construct bombarderen is voor de progressief zoiets als ze met brandstof overgieten. Want wat gebouwd is, kan branden.

Daarom geldt de natie en het verwante nationalisme als een negentiende-eeuws construct. Alle vormen van vaderlandsliefde zijn recente uitvindingen die enkel een politiek en staatkundig doel dienen en hebben gediend. Dat is het progressieve argument en dat is wat u geleerd heeft gekregen op school. Die verdomde vooringenomenheid weer. Huizinga laat namelijk haarfijn zien dat er gewoonweg te veel bewijs is om te ontkennen dat vormen van (proto-)nationaal besef, en in alle gevallen voor liefde voor eigen groep, stad of land, al duizenden jaren eerder voorkomen dan de negentiende eeuw. Het constructie-argument dondert in elkaar: er is geen bewijs voor een machtsbelust masterplan in al die eeuwen van eenvoudige genegenheid voor het eigene; het is een menselijke constante. En als het geen construct is, valt er dus ook weinig te deconstrueren.

Patriottisme is een gevoel dat mensen kunnen voelen. Het is een gevoel dat veel mensen delen. Als het er toch is, laten we het beestje dan bij zijn eigen naam noemen en het niet verdacht maken door valse associaties. Patriottisme is geen nationalisme. Patriottisme is geen construct. Het is er en het doet ons weinig kwaad. Het helpt de samenleving bij elkaar te houden en het is niet agressief. Tijd voor progressieven om eerlijk te zijn – en beter na te denken. Patriottisme verdient het object te zijn van wat de term uitdrukt: genegenheid.