Gisteren zat ik in een stadsparkje te lezen. Er wandelden gezinnen langs, iets mooier aangekleed dan normaal. Sowieso, je ziet zelden gezinnen in het straatbeeld. Gejaagde moeders met één of twee koters in kinderzitjes aan hun fiets gegord. Een participatievader op papadag achter de bugaboo. Of wat kinderen los, op eigen houtje aan het buitenspelen of onderweg naar school. Maar de combo pa, ma en twee of drie kinders gezamenlijk op pad, als gezin, en meerdere van zulke groepjes nota bene, alleen al daaraan kon je zien dat het Een Feestdag was.

Maargoed, dat parkje dus, het was zonnig maar koud en desondanks hadden zich her en der jongelui op kleedjes neergevlijd. Er was één aansteller met een gitaar, die trachtte twee meisjes te imponeren met het refreintje van Jumping Jack Flash. De jongedames tiepten onverschillig op hun iphones. Een jogger hobbelde langs. 

Ik dook iets dieper in mijn bontjas, een gure windvlaag streek door een bed narcissen en drukte ze bijna plat tegen de grond, en las verder in mijn boek. Door de gracht voer een sloep en een kind op die sloep krijste “Kijk papa ik zie hem!” en wees in een boom aan de overzijde.

De hipster staakte zijn armoedige verherinterpretatie van Jumping Jack Flash. De gezinnen draaiden gezellig synchroon hun hoofd in de richting die het vingertje aanwees. Ik keek op uit mijn lectuur.

Nee maar. Er stond een ladderwagen der brandweer aan de overkant, zo’n uitschuifding met een bakje aan het eind, bij een boom. Hoog in die boom: een grijze kat. Eromheen stonden mensen te kijken. Het bakje, waarin twee brandweermannen in volledige uitrusting, zoemde hydraulisch naar de tak waarop de kat zich bevond. Het dier zat de hele tijd stokstijf stil, maar toen de brandweermannen op grijpafstand waren schoot hij als een eekhoorn verder naar het uiteinde van de tak.

“Oeehh!” zeiden de toeschouwers aan de overkant, op het sloepje en in het park in koor. De ene brandweerman gebaarde naar de bestuurder van het uitschuifding dat hij wat naar links moest, beetje naar voren, en voilà. Weer was het bakje pal onder de kat. Poes was bang voor de grijpende handen en nam zijn lot in eigen poot: hij liet zich van de tak (de mensen: “oooh!”) in het bakje vallen, ontweek de brandweren, rende onwaarschijnlijk snel langs de uitgeschoven steel, sprong op de wagen, rende achter de cabine langs de straat op en verdween. De menigte, want dat was het inmiddels, lachte, applaudisseerde en wisselde grappen en opmerkingen uit. Daarna ging ieder zijns weegs. Een minuut later was het of er niets gebeurd was, en dat was er feitelijk ook niet natuurlijk.