Zondag gingen bijna 4 miljoen mensen in Frankrijk de straat op voor een krantje dat ze niet wilden lezen en en masse als xenofoob en islamofoob hadden weggezet. Heel die Je suis Charlie-beweging is dus een hoogst dubbelzinnig en gratuit fenomeen. De absolute vrijheid van expressie, het recht op spot als kernwaarde van de democratische rechtstaat (zoals Mark Rutte het uitdrukte), wordt nu alom bejubeld, maar alle demonstraties en statements wekken toch de indruk dat het hier één grote schreeuw betreft om de eigen angst te overstemmen. De angst voor een wreed geloof waarvan we de ware aard altijd hebben ontkend, bang en onwillig als we waren om in te zien dat extremisme een aanknopingspunt in de islam zelf vindt, en dat er binnen dat geloof een glijdende schaal is van geloof naar salafisme naar geweld. Weinigen zeiden tien jaar geleden: Je suis Theo, of nu: Je suis Geert. Mensen die zichzelf nu Charlie noemen, roepen ook al weer dat dit alles niets met de islam te maken heeft.

Wat dezer dagen dus misschien wel het meest benauwend is, is dat we een confrontatie zien tussen een agressieve, meedogenloze religie, aan de ene kant, en aan de andere kant een bange, onzekere cultuur, die lippendienst aan vrijheid en spot bewijst maar onzeker is en blijft over haar eigen waarden. Er is sprake van een merkwaardige morele verwarring.

Aan de Vrije Universiteit in Amsterdam zou vandaag een paneldiscussie hebben plaatsgevonden waar actievoerders zich zouden uitspreken voor een eenzijdige academische boycot tegen Israël (‘VU Israël-vrij’). Alleen medestanders mochten meediscussiëren. De jongerenorganisatie van het CIDI (CIJO) begon gisteren een protestactie, met als gevolg dat Jaap Winter, voorzitter van het College van Bestuur, gisteravond nog een brief heeft doen uitgaan waarin hij laat weten dat de bijeenkomst van Studenten voor Rechtvaardig Palestina (SRP) vandaag niet mag doorgaan. Zo’n debat moet op zich kunnen, schreef hij, maar ‘wij hebben vandaag gemerkt dat door de maatschappelijke onrust, ontstaan na de gebeurtenissen van vorige week, het debat gevoelens van uitsluiting en onveiligheid oproept’. De VU heeft SRP nu uitgenodigd om te gaan kijken naar mogelijkheden voor een ‘evenwichtig debat’.

Van eenzelfde paniek getuigt de uitglijder van Sheila Sitalsing in de Volkskrant van gisteren, waar zij redacteur Annabel Nanninga zaken in de schoenen schuift die Nanninga nooit heeft gezegd noch bedoeld. Beide uitingen van paniek lijken mij door angst en onzekerheid ingegeven.

Wij zijn Charlie niet. En enerzijds geeft dat ook niet. Charlie Hebdo was een ouderwets blaadje van overleefde soixante-huitards die grossierden in bijtende religiekritiek. De vrijheid van meningsuiting is een groot goed, en alles wat zij deden mag binnen een democratische rechtstaat. Dat is de juridische visie, die die vrijheid alleen begrenst met wettelijke bepalingen over aanzetten tot haat, oproepen tot geweld, discriminatie, en, sinds het recente arrest van de Hoge Raad, het ‘aanzetten tot onverdraagzaamheid’.

Maar er is ook een morele kant. Dan gaat het over goede smaak en verantwoordelijkheid. Dan hoef je je niet te buiten te gaan aan welbewuste blasfemie om de serieuze kwestie van de zwarte kant van de islam aan de orde te stellen. Het verheerlijken van spot en blasfemie gaat in de praktijk vooral samen met hypocrisie en een merkwaardige angst en onzekerheid, en is dus vluchtig. Ze duurt tot de volgende aanslag. Wie op een verantwoordelijke wijze wil discussiëren, en nu de juiste maatregelen wil nemen, hoeft niet voor spot en provocatie te kiezen. Die houding is vaak spotgoedkoop, omdat paniek een slechte en onzekere raadgever is. Niet angst maar goede smaak en verantwoordelijkheid zouden onze zelfcensuur moeten inspireren. Dan kun je de dingen gewoon bij hun echte naam blijven benoemen, en je niet door je grote maar gemakkelijke woorden ontslagen achten van de verplichting om nu werkelijk voor de vrijheid pal te staan.