Op de G7-Top in Elmau is overeenstemming bereikt over het klimaatbeleid. In hun hybris staken de G7 daarbij Koning Kanoet naar de kroon. Die erkende dat hij het tij niet kon keren, maar dat was eeuwen geleden. Inmiddels is de mensheid vooruit gegaan en behoort het regelen van de gemiddelde wereldtemperatuur door middel van de CO2-thermostaatknop tot de technische mogelijkheden. Althans, dat is wat de G7 ons wil doen geloven.

Zelfs de milieubeweging was lovend over het eindresultaat. Onder de titel, ‘Lof van milieuorganisaties voor klimaatbeloften G7’ rapporteerde Maurits Kuypers in Het Financieele Dagblad: ‘Milieuorganisaties die hun lof uiten voor klimaatbeloften van de groep van zeven grote industrielanden (G7) komt zelden voor, maar bij de G7-bijeenkomst in het Duitse Elmau is dat de deelnemende landen Groot-Brittannië, Verenigde Staten, Duitsland, Frankrijk, Canada, Italië en Japan wel degelijk gelukt.’ “De richting klopt,” zegt bijvoorbeeld het Wereld Natuur Fonds. ‘Elmau heeft zich uitbetaald,’ meent Greenpeace. En volgens de European Climate Foundation betekent de slotverklaring van Elmau een ‘belangrijke mijlpaal’ voor het klimaat. Het enthousiasme is gebaseerd op een aantal oude beloften en enkele nieuwe. Het meest opmerkelijke nieuwe punt is dat de G7-landen zich voor het eerst uitspreken voor een volledig groene energievoorziening zonder gebruik van fossiele brandstoffen. Het is een doel waar ze zichzelf overigens wel deze hele eeuw de tijd voor geven.

Duurzaamheidsfonds van 100 miljard per jaar
Ook nieuw is dat de G7 niet alleen naar de eigen energievoorziening kijkt, maar ook naar die van ontwikkelingslanden. Zo is het de bedoeling dat er voor 2020 een duurzaamheidsfonds wordt opgericht voor arme landen, gevuld met jaarlijks 100 miljard dollar aan publieke en private middelen. Daarbovenop willen de G7-landen verzekeringen stimuleren voor landen die ernstig getroffen worden door extreme weersomstandigheden als gevolg van opwarming van de aarde. Het zijn twee ideeën die mogelijk van grote waarde kunnen zijn als ontwikkelde en minder ontwikkelde landen elkaar later dit jaar treffen in Parijs tijdens de VN-klimaatconferentie. Voor minder ontwikkelde landen heeft het beperken van de CO2-uitstoot over het algemeen namelijk een lagere prioriteit dan in de Westerse landen van de G7. Dit zijn allemaal zeer ambitieuze beleidsvoornemens. Zij doen denken aan de Nieuwe Internationale Economische Orde (NIEO), waarbij de wereldeconomie geheel op de schop moest. Maar wie herinnert zich nog de NIEO? Daarom even het geheugen opgefrist.

Het hoeft geen verwondering te wekken dat het wereldordedenken op krachtige steun van de VN-bureaucratie en sympathiserende kringen daaromheen kon rekenen

Aan het wereldordedenken is vooral de naam van de Nederlandse econoom en Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen verbonden. Een belangrijke publicatie in dit verband was het RIO-rapport (RIO: Reshaping the International Order). Dit rapport, waarvan Tinbergen de eindredacteur was, bevatte bijdragen van vele vooraanstaande wetenschappers. Het was een verzameling van voorstellen om elementen van centrale planning op wereldniveau te introduceren. Of, zoals Tinbergen het formuleerde: ‘…many proposals will introduce conscious elements of global planning so as to safeguard the international economic system from unilateral and uncoordinated national decisions.’ Het rapport bevat gedetailleerde voorstellen voor een ‘… system for global planning and the management of resources’ En even verder: ‘Effective planning and management calls for the fundamental restructuring of the United Nations so as to give it broad economic powers and a more decisive mandate for international economic decision-making.’ Het hoeft dan ook geen verwondering te wekken dat het wereldordedenken op krachtige steun van de VN-bureaucratie en sympathiserende kringen daaromheen kon rekenen.

Wereldwerkgelegenheidsplan
Deze en andere voorstellen zijn onderwerp geweest van internationale onderhandelingen in het kader van de zogenoemde Nieuwe International Economische Orde (NIEO). Zij vonden plaats in de tweede helft van de jaren zeventig, op talloze conferenties van onder andere de VN, UNCTAD (United Nations Conference on Trade and Development) en UNIDO (United Nations Industrial Development Organisation). De voorstellen behelsden een reeks maatregelen en hervormingen op het gebied van grondstoffen inclusief olie, internationale handel, ontwikkelingshulp, het internationale geldstelsel, wetenschap en technologie, industriële ontwikkeling en de wereldvoedselvoorziening. Een ander plan dat in dit rijtje thuis hoort, was het zogenoemde wereldwerkgelegenheidsplan dat was opgesteld door vier prominente Nederlandse sociaal–democraten: W. Kok, J. Pronk, J. Tinbergen en J. den Uyl. Het plan werd in een open brief aan de secretaris–generaal van de Verenigde Naties aangeboden. Dit plan bevatte vele elementen, waaronder het wetenschappelijk vaststellen van comparatieve voordelen van landen en het bepalen van een optimale internationale arbeidsverdeling op basis daarvan: een ‘anticiperende herstructurering van de productie’ in het Westen.

‘Overwinsten’
Dat wil zoveel zeggen als een mede door de overheid geleide herstructurering van de economie van de ontwikkelde landen in de richting van technologisch meer geavanceerde productie, terwijl het eenvoudiger werk in de Derde Wereld zou kunnen gebeuren. Daarnaast diende er intergouvernementele controle op de investeringen van transnationale ondernemingen te komen. Daarnaast zouden werkgelegenheidsplannen voor de lange termijn (in samenhang met investeringsplannen voor de lange termijn) voor sectoren en mogelijkerwijs voor afzonderlijke ondernemingen dienen te worden opgesteld.

Er moest een internationale industriële en investeringspolitiek tot stand komen die niet in de eerste plaats was gebaseerd op winstverwachtingen, maar op het beginsel van sociale rechtvaardigheid

Verder zouden de ‘overwinsten’ (een bekend, maar nooit precies gedefinieerd begrip uit de jaren zeventig) van sterke industrietakken en ondernemingen moeten worden gebruikt voor investeringen, met het oog op het scheppen van werkgelegenheid in andere sectoren. Ten slotte zou een internationale industriële en investeringspolitiek tot stand moeten komen, die niet in de eerste plaats was gebaseerd op winstverwachtingen, maar op het beginsel van de sociale rechtvaardigheid.

Internationaal dirigisme
Nauwkeurige aanduidingen hoe deze doelstellingen zouden worden verwezenlijkt, ontbraken in het plan. Maar er is niet veel fantasie voor nodig om te bedenken dat hiervoor – zowel op nationaal als internationaal niveau – een mate van overheidsingrijpen nodig zou zijn geweest die zijn weerga niet kent. Als zodanig werd het voorstel dan ook
gekenmerkt door een hoge mate van internationaal dirigisme. Dat wil zeggen: sturing van de internationale economie van bovenaf door overheden op grond van internationale politieke besluitvorming en uitvoering door internationale en nationale bureaucratieën. Een en ander kwam dus neer op méér overheid en minder markt. Met de kennis van nu zouden deze voorstellen knettergek worden genoemd. Ironisch genoeg kwam dit plan in een tijd waarin ernstige gebreken zichtbaar werden in de centrale economische sturing op nationaal niveau, in het bijzonder met de commando-economie in de Sovjet-Unie en haar satellietstaten. Daarnaast leidde de opkomst van het nieuwe economisch liberalisme aan het eind van de jaren tachtig tot een trendombuiging: méér markt en minder overheid. Bovenstaande voorstellen stierven dus een zachte dood.

Boulevard of broken dreams
De aanhangers van het wereldordedenken bleven er nochtans heilig van
overtuigd dat zij oplossingen hadden voor talloze wereldproblemen. Maar bij gebrek aan internationale politieke overeenstemming waren het oplossingen op zoek naar een geschikt probleem. Het is als een brandweerbrigade die jarenlang in de kazerne zit te popelen om eindelijk eens te kunnen uitrukken om een fikse brand te blussen. De opkomst van de klimaatproblematiek bood de kans op een doorstart. Wie de geschiedenis van de G7 bestudeert en de vele opeenvolgende perscommuniqués vergelijkt met wat er in werkelijkheid is gebeurd, wacht een verrassing: een ‘boulevard of broken dreams’!

Ondanks alle propaganda en desinformatie zal de klimaatconferentie in Parijs weer een in een schaamlap verhuld fiasco worden

Het akkoord over het klimaat bevat geen bindende verplichtingen – en al helemaal niet van de grootste remittenten van CO2: China en India. Het is hoogstens een intentieverklaring. Gegeven de trieste schuldenpositie van de meeste ontwikkelde landen komt die 100 miljard per jaar er van–ze–lang–zal–ze–leven niet. Ondanks alle propaganda en desinformatie zal de klimaatconferentie in december in Parijs dus weer een in een schaamlap verhuld fiasco worden.

Geen van de aan de top deelnemende politici zullen tegen de tijd dat de beloften moeten worden waargemaakt, nog in functie zijn. Zij zullen dan ook niet ter verantwoording kunnen worden geroepen. Tegen die tijd zijn er weer andere zorgen en prioriteiten. De goede voornemens van Elmau zullen zijn bijgelegd bij die van de NIEO, met daarop een grafsteen met de tekst: R.I.P.

Tja, zo gaan die dingen.