Er is een docu uit over Kurt Cobain, het icoon van de generatie die tiener of twintiger was in de jaren ’90. De grungers, generatie X, mijn generatie. Hoewel er ettelijke complottheorettes de ronde doen dat zijn aandachts- en drugsverslaafde echtgenote Courtney Love mijnheer Cobain het hoekje om zou hebben geholpen, is de algemeen aanvaarde lezing dat Cobain zich ergens rond 5 april 1994 van het leven beroofde. Zijn bandje, Nirvana, had de wereld stormenderhand veroverd.

De figuur Cobain zegt me niet zo veel, en de verafgoding die de man ten deel viel, nog minder. Het is buitengewoon hip om te zeggen dat je het album Bleach, dat uitkwam vóór de megahit Nevermind, meteen al megagoed vond. En dat je eigenlijk na Nevermind al wel een beetje klaar was met de band, aangezien ze zo commercieel gingen enzo. De mensen die echt de vinger aan de pols van de Zeitgeist hadden, waren aanwezig bij het concert dat de band in november 1991 gaf in het Amsterdamse Paradiso. Maar als iedereen die nu beweert dat hij er was, dat concert ook daadwerkelijk had bijgewoond, dan was De Kuip nog niet groot genoeg geweest.

Enfin, ik was 13 toen Nevermind uitkwam en had nog nooit van Nirvana gehoord. Ik hield van de muziek van mijn ouders, The Doors, The Beatles, Dylan, Hendrix, al die hippiemeuk-bands uit Californië. Mijn vader vertelde weleens over hoe dat ging, als The Beatles een nieuwe single uit hadden. Het was een sensatie, men wist niet wat men hoorde. En dan Bob Dylan, opeens was daar zo’n slungel met een gitaar die jou, een oceaan en duizenden kilometers verderop, radio luisterend op je kamertje in je ouderlijk huis, volkomen begreep. Zo ging dat toen, dacht ik, toen pop- en rockmuziek nog rebels waren. En ik zette MTV maar weer eens aan. (Voor de jongere lezer, MTV was ooit een muziekzender, voordat ze de spreekbuis van white trash Amerikaanse reality-tv pubers werden.)

Tot ik dus Nevermind hoorde, opeens herkende ik het. We waren op vakantie met familie. Het was zo’n eindeloos lange zomerdag die je door de vingers glipt en die toch nooit voorbij lijkt te gaan. We zwommen in de rivier, we hingen op het dek van de boot en mijn neef speelde over de buitenspeaker een cassettebandje af. Ik had nog nooit zo iets gehoord. En ik had nog nooit zo iets ervaren. Want dit, najaa… dit ging dus gewoon over mij. En toch was het gloednieuw, onbekend, en een beetje gevaarlijk. Misschien moet je er puber voor zijn, voor zo’n openbaring. Een puber met veel egocentrisme een even misplaatste als naïef-wereldwijze attitude. Maar hoewel ik daarna nog veel (en betere) muziek in mijn hart heb gesloten, maakte ik dat alleen die ene keer mee.

Nevermind draaide ik grijs, van Nirvana werd ik niet speciaal fan en toen Cobain zelfmoord pleegde deed het me weinig. De documentaire lijkt me zeker het bekijken waard, maar ik denk niet dat ik m ga kijken. De magie zat voor mij misschien niet in Nirvana of in de tragische figuur Cobain, maar in mezelf. Daar ben je puber voor.

Beeld cc: Joe Mabel