De politieke crisis van gisteren, waarbij drie PvdA-senatoren de zorgplannen van het kabinet torpedeerden, kwam voor velen als een volslagen verrassing. Toch is het op zich allang geen nieuws meer dat de Senaat het kabinet de voet dwars zet. Elke nieuwe blokkade brengt ons dichterbij het moment waarop we een keuze zullen moeten maken: geef de Senaat een duidelijk eigen mandaat of schaf hem af. Zo doorrommelen lijkt in ieder geval niet verstandig. 

Iedereen was al zo bezig met het volgende onneembaar geachte obstakel – de Provinciale Statenverkiezingen van komend voorjaar waarbij de huidige gedoogcoalitie zijn meerderheid in de Eerste Kamer dreigt kwijt te raken – dat het als een verrassing kwam dat het kabinet gisteravond opnieuw in problemen raakte door een onwillige Senaat. Een compromis waaraan een paar jaar was gesleuteld belandde op het allerlaatste moment in de papierversnipperaar.

Het zou niet langer mogelijk moeten kunnen zijn. Het gedoogakkoord van vorig najaar was immers speciaal gesloten om dit soort politieke struikelpartijen te voorkomen. Toch mag het geen verbazing wekken dat de Senaat opnieuw toont over een eigen wil te beschikken. Sinds de late jaren negentig, toen Hans Wiegel persoonlijk de komst van een correctief referendum verhinderde, is de Eerste Kamer regelmatig het toneel geweest van hoog politiek spel. Toen links in 2010 het spel om de macht verloor (een nederlaag in het stemhokje gevolgd door een echec aan de onderhandelingstafel) probeerde men via de Senaat alsnog het kabinet Rutte-I te torpederen. De eerste gedoogcoalitie kreeg pas werkelijk een parlementair mandaat toen hij bij de Provinciale Statenverkiezingen van 2011 een flinterdunne meerderheid in de nieuwe Senaat behaalde. Mede dankzij de SGP, die daardoor opeens een plek op de achterbank van de macht kreeg.

In het kabinet Rutte-II was het niet anders. De coalitie beschikte wel over een meerderheid in de Tweede Kamer maar niet in de Eerste Kamer. En anders dan bij Rutte-I waren nieuwe Provinciale Statenverkiezingen nog ver weg. Om te overleven moest er dus wel zaken worden gedaan met de oppositie. Vanaf het aantreden van het nieuwe kabinet hebben Rutte en Samsom moeten bedelen, smeken en honing smeren om de dames en heren senatoren voor hun plannen te winnen. Als dat niet lukt, is het meteen crisis.

Met die crisis zal het ditmaal wel loslopen. Het bedrag waarover nu wordt gesteggeld – 1 miljard – is een voetnoot bij de totale Rijksbegroting van 250 miljard. Geen van de betrokken partijen zit bovendien te wachten op een breuk. Eerst maar eens kijken wat de krachtsverhoudingen zijn in de nieuwe Senaat – en welke partijen daarna tot samenwerking bereid zouden zijn. Als er geen werkbare meerderheden meer te vormen zijn, kan dan altijd nog worden gebroken.

In elke politieke berekening die de kansen van een coalitie anno 2014 weegt, speelt de Senaat dus een belangrijke rol. De vraag is daarbij: hoe nu verder? Er zijn grofweg drie opties. De eerste is om de ontwikkelingen van de afgelopen jaren te codificeren middels een aanpassing van de Grondwet. De sterkere Senaat zou een eigen constitutionele rol krijgen, naast die van de Tweede Kamer, met wellicht zelfs eigen directe verkiezingen – naar Amerikaans model. De tweede optie is om de rol van de Senaat terug te brengen tot die van een Kamer van Heroverweging, met een nadrukkelijke inperking van de zichzelf de afgelopen jaren toegeeigende rechten. Daarbij zou het Britse model kunnen worden gebruikt waarbij er een strakke tijdslimiet – meestal één parlementair jaar – wordt gehanteerd voor het afhandelen (en dus blokkeren) van wetgevingsvoorstellen. Wetgeving die in de Troonrede van dat jaar is opgenomen, kan door de niet-direct gekozen Senaat niet worden getorpedeerd. Optie drie werd bepleit door VVD-fractievoorzitter Halbe Zijlstra: de Deense variant, waarin de Senaat gewoon helemaal wordt afgeschaft. Alle berekeningen worden dan op slag een stuk eenvoudiger. De heroverwegingstaak zou overgeheveld kunnen worden naar de Raad van State, zonder die instelling de mogelijkheid te geven wetgeving te blokkeren.   

Welk van de drie we ook kiezen (optie 3 heeft mijn persoonlijke voorkeur), duidelijk is wel dat de zaken op hun beloop laten niet langer een optie is. We zwalken nu al een tijd van crisis naar crisis, zonder uitzicht op werkelijke verbetering. Sterker nog: de situatie zou na de getrapte verkiezingen van volgend voorjaar wel eens nog onoverzichtelijker kunnen worden. Het is namelijk niet ondenkbaar dat noch de huidige gedoogcoalitie noch het meest voor de hand liggende alternatief van CDA, VVD, D66 en de kleine christelijke partijen op een meerderheid in de Senaat kan bogen. We gaan dan een periode van chronische instabiliteit tegemoet, van voorstel naar voorstel levend, het ene compromis inzettend om het andere te stutten. Is dat wat we willen? De vraag stellen is haar beantwoorden.

Beeld: Rijksvoorlichtingsdienst