In antwoord op de verschrikkelijke aanslag in Nice had op deze plek een vlammend betoog moeten verschijnen voor het uitroepen van de laïcité. Maar er zat iets in de weg: de journalistieke ethiek. Was voor zo’n vergaand pleidooi niet een duidelijker aanwijzing nodig dat het om een religieus-politiek gemotiveerde aanslag ging? 

Nadat de volle omvang van de aanslag in Nice duidelijk was geworden, heb ik geruime tijd moedeloos naar mijn werkscherm gestaard. De aanvankelijke schok over de zoveelste aanslag had niet meer dan een reeks woorden opgeleverd die allemaal even hol en betekenisloos klonken. Foto’s van overdekte lijken, een teddybeer op straat, verhalen van kinderen die op intensive care afdelingen moeten vechten voor hun leven — wat kan je er nog over zeggen?

Rechtvaardige woede

De volgende fase was die van de opwellende daadkracht. Dit was de druppel, alleen de allerhardste maatregelen volstonden nu nog! Om te beginnen de overgang naar de laïcité – een ‘No Pasaran’ aan het adres van het islamitische fundamentalisme. Op die solide basis kon vervolgens een beleid worden opgetrokken dat het fundamentalisme met wortel en tak uitroeit: radicale moskeeën sluiten, elke vorm van indoctrinatie of financiering vanuit islamitische landen verbieden, meer van dat soort van daadkracht overlopende voorstellen.

De woede was zonder meer rechtvaardig. Wie bij het zien van zulke beelden geen boosheid voelt, is immers onmenselijk. Maar was hij wel juist gericht? Ik zeg niet dat bovenstaande maatregelen niet sowieso de moeite van het nemen waard zijn — al hebben ze in Frankrijk natuurlijk al een paar eeuwen de laïcité en bovendien een vanmorgen weer voor drie maanden verlengde noodtoestand die dergelijke harde maatregelen op zich zonder meer mogelijk maakt. Echt wonderen ervan verwachten moeten we dus ook weer niet. De vraag is echter of het pleidooi in dit geval wel voldoende basis had in de feiten van de aanslag zelf. Hoe langer het duurde, hoe meer de twijfel begon te knagen. Want was dit wel echt een fundamentalistische aanslag?

Ethiek als blok aan het been

Opeens was daar dus weer die verdomde journalistieke ethiek. “Geen ferme uitspraken zonder deugdelijke fundering!”, “Een vermoeden is geen bewijs!”, u kent dat wel. Een beetje opiniejournalist laat zich daar natuurlijk niets aan gelegen liggen. Feiten zijn immers leuk, maar ze moeten een goed betoog niet in de weg zitten. Maar ja… Als je in antwoord op een islamitische terreuraanslag allerlei daadkrachtige maatregelen wilt bepeiten (omdat het nodig is, of desnoods omdat je toch íets wilt kunnen zeggen), moet het natuurlijk wel een échte islamitische terreuraanslag zijn.

En met elk uur dat verstreek, werd het duidelijker dat het helemaal niet zo duidelijk lag als aanvankelijk gedacht. Noch de Franse, noch de Tunesische veiligheidsdienst had de dader in de kaartenbakken staan. Hij was wel bekend bij politie, maar uitsluitend als een crimineel. Van enige belangstelling voor religieuze zaken was nooit iets gebleken. Natuurlijk kan dit allemaal alsnog worden vastgesteld, bijvoorbeeld na huiszoeking of het scannen van zijn computerbestanden en browsergeschiedenis. Maar voorlopig is dat bewijs er dus nog niet.

Tunesische Tates 

Inmiddels verklaart de Franse justitie zelfs dat de dader vermoedelijk géén islamitische fundamentalist was.  Nogmaals: vermoedelijk, niet definitief. Bewijs voor de oorspronkelijke stelling kan dus alsnog worden gevonden. Maar het is ook goed mogelijk dat we niet te maken hebben met een door ISIS-propaganda gemotiveerde ‘lone wolf’ terrorist maar met een soort Tunesische Karst Tates — de geestelijk getroubleerde loner die op Koninginnedag 2009 in een moorddadige rit negen mensen van het leven beroofde.

Maakt dat de aanslag van gisteren ook maar een iota minder verschrikkelijk? Nee natuurlijk niet. Blijft het debat over de grenzen van de tolerantie voor een beweging die de bijl aan de wortels van onze rechtsstaat heeft gezet nog altijd even noodzakelijk? Ja wel degelijk. Maar B volgt niet noodzakelijk uit A. Al helemaal niet op basis van het enkele feit dat de dader Mohamed heette. Een voornaam is namelijk geen bewijs.