Nederland is eigenlijk nog altijd een standenstaat, waarin een clique van bestuurders de dienst uitmaakt. Sinds 2001 (Pim Fortuyn) is de bevolking daar in toenemende mate boos over. De pleidooien voor radicale democratie zijn dan ook niet van de lucht. Die roep is begrijpelijk en sympathiek, maar er valt meer te zeggen.

Ons land heet democratisch, maar is het natuurlijk niet. In de politiek is het niet de bevolking die beslissingen neemt (en dat is toch de meest voor de hand liggende betekenis van het woord ‘democratie’), maar is het, schat ik, een groepje van niet meer dan honderd personen dat de dienst uitmaakt. Dat groepje bestaat uit een kleine selectie van de volksvertegenwoordigers die wij om de paar jaar mogen kiezen. Deze selectie, de voorlieden van de regeringspartijen, bepaalt samen met enkele tientallen ambtenaren wat er Nederland gebeurt. Referenda zijn slechts raadgevend. Rechters worden niet gekozen, burgemeesters en generaals al evenmin. In de begintijd van de democratie, in het Athene van de vijfde eeuw voor Christus, waren ze op al deze punten al veel verder. Alleen het Amerikaanse systeem herinnert nog aan deze oorsprong. En ook overal elders in onze samenleving (bedrijfsleven, scholen, universiteiten) worden de besluiten door een kleine top genomen, is de inspraak vergelijkbaar met die van de Russische Doema van weleer, en is iedere verwijzing naar democratie eigenlijk vooral heel erg hypocriet.

Dat is altijd al zo geweest, en de ergernis erover is ook al oud. Een van de bekendste en beruchtste protesten tegen een regentenregering stamt uit 1781 en vloeide uit de pen van Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784). Deze edelman (baron) uit Gelderland ging na zijn rechtenstudie de politiek in: hij werd lid van de Staten van Overijssel, sprak zich uit voor de onafhankelijkheidsstrijd van de Amerikaanse koloniën en werd een belangrijk representant van de patriottenbeweging die politieke hervormingen in de Republiek der Nederlanden bepleitte. Zijn belangrijkste bijdrage was zijn pamflet Aan het volk van Nederland, dat in de nacht van 25 op 26 september 1781 in Nederland in een spectaculaire actie gratis werd verspreid. Het is gericht tegen het bewind van stadhouder Willem V, en is vooral beroemd geworden als pleidooi voor de vrijheid van meningsuiting. Wanneer die ontbreekt, kunnen machthebbers immers vrij hun gang gaan.

In de politieke bibliotheek van Elsevier is een heruitgave van dit pamflet verschenen. De uitvoerige historische inleiding is van de hand van onze grote vriend Ewout Klei, die ooit op Joan Derk afstudeerde, het voorwoord is van de hand van good old Theodor Holman en in een uitvoerig naschrift belicht Geerten Waling, universitair docent in Leiden, de receptiegeschiedenis van het pamflet in Nederland.

Holman plaatst Joan Derk aan het begin van een lange traditie van ‘raddraaiers der redelijkheid’: Multatuli, W. F. Hermans, Theo van Gogh, Pim Fortuyn. Ewout Klei stelt vast dat Joan Derk tegenwoordig vooral populair is in rebels-populistische kringen die zich sterk maken voor allerlei radicale vormen van democratie.

Zijn zij daarmee de lieden van wie we veel mogen verwachten in de strijd voor democratie?

Natuurlijk is draagvlak onder de bevolking een belangrijk vereiste voor goed bestuur. De uitslag van het laatste referendum is vooral een illustratie van de ontevredenheid van een groot deel van de bevolking met de besluiten die een politieke clique – in ‘Den Haag’ en ‘Brussel’ – meent te mogen nemen. De wetgevende macht – het parlement – moet het belangrijke principe van het draagvlak belichamen en dus werkelijk een vertegenwoordiging van het volk zijn (wat ins ons bestel, gebaseerd op een samenleving die niet meer bestaat, niet het geval is). Maar in een goed politiek bestel gaat het niet alleen om draagvlak.

Daadkracht en wijsheid/inzicht zijn minstens van zo groot belang. Vanuit het principe van de daadkracht is (vanouds) bedacht dat er in het systeem van machten dat ons politieke bestel vormt, ook altijd een monarch moet zijn – niet in de vorm van alleenheerschappij of tirannie (despotisme) maar getemperd door andere elementen binnen de triade van de macht. Maar de executieve moet duidelijk aanwezig zijn wil een systeem goed functioneren.

Het principe van de wijsheid, inzicht en ervaring werd vanouds belichaamd in een Eerste Kamer of Senaat. Het is natuurlijk de vraag of die ook heden ten dage nog wordt bevolkt door mensen die op grond van hun mérites tot de (geestelijke) aristocratie van de bevolking behoren. De vraag stellen is hem beantwoorden. Er is reden te over om te vermoeden dat onze huidige Eerste Kamer vooral wordt bevolkt door lobbyisten en oud-politici op zoek naar een laatste vorm van status. Maar het element van wijsheid – als tempering van de vaak wispelturige volkswil – is van blijvend belang.

Deze mengeling van principes noemen we vanouds een gemengd regime van monarchie, aristocratie en democratie. Ons bestel biedt nu niet meer dan een late naglans van dit regime. Maar dat stelsel is wel wat we nodig hebben, en het ontbreken ervan vormt het grootste probleem en de grootste lacune in onze samenleving. De heruitgave van het pamflet van Joan Derk, hoe mooi ook, past in het kader van pleidooien voor meer democratie en radicalere vormen van democratie. Maar dat is hooguit een deel van het antwoord. Pleidooien voor democratie zijn er tegenwoordig veel. Maar voor het belang van gekwalificeerde elites (elites die niet, zoals Ortega y Gasset betoogde, intellectueel en cultureel onderdeel van dezelfde massa zijn als de mensen die zij hebben te besturen) komt haast niemand op. Zo’n pleidooi verdient heden ten dage meer gehoor en aandacht dan democratische pamfletten die vooral uitlaatkleppen van (begrijpelijke) rancune zijn maar geen oplossing bieden voor de vraag hoe die revolte in goede banen moet worden geleid.