We kunnen het ons nauwelijks meer voorstellen, maar twinig jaar geleden was er geen internet. Ja, er was een systeem in universitaire kringen, maar niet voor het grote publiek.

Toen Ajax zijn laatste Europacup won (ik herinner het me nog als de dag van gisteren), begon er iets van email te komen, en deden journalisten hun eerste enthousiaste ontdekkingen in de wondere wereld van het world wide web. De trui die ik vanochtend gedachteloos uit de kast trok, zou nog weleens van voor die tijd kunnen zijn. Dat geldt ook voor mijn stereoapparatuur en veel van mijn Cd’s. Klassieke muziek was er al, net als popmuziek. Als ik aan 1995 terugdenk, zie ik een wereld die mij in velerlei opzicht beter beviel dan die van nu. Maar nogmaals; internet hadden we niet.

Natuurlijk is dit een valse vergelijking. Met het ouder worden is de neiging groter het verleden te gaan verheerlijken. Ga ik nog twintig jaar verder terug in de tijd, naar 1975, dan kon het er toen ook mee door, maar de jaren negentig waren beslist beter. Voor het hele Westen en ook voor mij. Terwijl de technologisch sprong voorwaarts die dankzij het internet tussen 1995 en 2015 is gemaakt veel groter is dan die tussen 1975 en 1995. In die tijd is het roestprobleem van auto’s opgelost en het Sovjetcommunisme ten onder gegaan, maar dat valt in het niet bij al het virtueels dat de digitale revolutie ons heeft gebracht. Al hadden wij in Nederland twintig jaar geleden ook al een vrije pers en een gerieflijke consensusdemocratie. Je hoefde niet eens te stemmen; volgens Hans van Mierlo won de kiezer altijd. Voor de wereld buiten Nederland was er CNN.

Strikt genomen was dat hele internet niet nodig om een fatsoenlijk politiek correct beeld te krijgen van wat er in de grote wereld gaande was. Tegelijk zijn de voordelen van het wereldwijde web zo evident, dat het absurd is om je af te vragen of de wereld nu beter af is. Dat heeft ook geen zin. Er is ons niets gevraagd, het internet was er ineens. Er is al een hele generatie opgegroeid die niet zonder kan. Ikzelf waarschijnlijk ook niet, want geen grotere paniek dan wanneer ‘het net’ er plotseling uit ligt. Dat zijn wel de momenten dat ik de totale afhankelijkheid van dat godvergeten internet verfoei. Alsof je geen enkele greep meer hebt op het eigen lot, alsof alles computergestuurd gaat, zelfs de ‘errors’. Waarom niet gewoon terug naar die vertrouwde kranten en de goeie oude drukinkt? Dan is er ook niet meer die permanente ruis, al die inkomende klets op sociale media die van belangrijker zaken afleidt.

Het digitale tijdperk heeft niet alleen zegeningen gebracht, zeker niet voor journalisten, die de hele mediawereld hebben zien veranderen. Waar vroeger adverteerders blij mochten zijn met een duur betaald advertentiehoekje in de krant, zijn de verhoudingen radicaal omgedraaid. Vandaag zijn de vrije adverteerders de baas en worden journalisten kort gehouden, anders wordt het te veel. Dan zijn er wereldwijd miljoenen bloggers die het monopolie van de ‘MSM’ hebben doorbroken. Een enorme uitbreiding van de vrijheid van meningsuiting, waardoor nu veel meer verongelijkte wereldburgers het idee uitdragen dat hun de mond wordt gesnoerd.

Daar had je voor de komst van het internet, toen er maar een paar televisiezenders waren en een enkel staatsjournaal, geen last van. Niks geen Pim Fortuyn, die schreef in Elsevier. Niks verweesde samenleving, de samenleving had haar onschuld nog niet verloren en wist van niks (het trauma van Srebrenica moest nog komen). Niks Ayaan Hirsi Ali, die moest nog Nederlands leren nadat zij met een leugentje ons land was binnengekomen. Niks Geert Wilders, die ging gewoon per Volkswagen op trektocht door Syrië. De klacht van het monddood maken bleef onbenoemd, zeker in het Westen, waar we in 1995 nog dachten dat de rest van de wereld zat te springen om onze vrijheden. Dat had Derk Sauer goed gezien. De socialistische mediaondernemer zat begin jaar negentig al in Moskou, waar hij de Playboy voor Russen introduceerde. Nu zijn de Russian girls ons in erotisch opzicht de baas, mede dankzij internet, waarop de dames hun diensten in overvloed aanprijzen.

Dat zulke zaken niet overal in goede aarde vallen, had ik in 1990 al kunnen weten. Ik maakte toen een reis langs het Turkse deel van de Zwarte Zee, waar de grens met de Sovjet-Unie nog niet lang open was. De hele kuststreek van slag was door de komst van de ‘Natasja’s’ die de hoofden van de autochtone mannen op hol joegen. Hun vrouwen waren woedend, en het zou best kunnen dat dit de politieke islam in de kaart heeft gespeeld. Net als de commerciële tv, die in Turkije het autoritaire staatsmonopolie doorbrak en met vele nieuwe kanalen kwam, wulpse én vrome. In 1989 zag ik Turkse huisvrouwen op die enkele staatszender nog naar soaps als Medisch Centrum West kijken. In de jaren negentig werd ook het Turkse televisieaanbod gevarieerder, met eindeloos veel voetbal, nog meer soaps, kwisjes, talkshows, en educatieve programma’s over de islam, die in de moderne Turkse Republiek met haar scheiding tussen kerk en staat lang taboe waren, net als de geschiedenis van het Ottomaanse Rijk. In 1989 zag je alleen maar heroïsche filmpjes van Kemal Atatürk, die daar juist een einde aan had gemaakt, net als (in 1924) aan het kalifaat.

Waren ze daar maar nooit moderner dan modern geworden. Tegenwoordig biedt het wereldwijde web verweesde moslimsamenlevingen een keur aan mogelijkheden, ook in de diaspora (een begrip dat ik in de jaren negentig Turken voor het eerst hoorde gebruiken; ik dacht dat dit alleen Joden betrof). Verdwaasde jongens die zucht naar spanning en sensatie en eindtijdgevoel aan vroomheid en opofferingsgezindheid paren, kunnen de hele dag door beelden van de jihad bekijken, een vrucht van de vrije nieuwsgaring. Het kalifaat van IS, uitgeroepen door een opstandige kantoorklerk uit Fallujah in Irak, is dankzij goedkope prijsvechters richting Istanbul ook voor tienermeiden uit onze soennitische driehoek Gouda-Zeist-Huizen makkelijk bereikbaar. De nieuwe sultan Recep Tayyip Erdogan heeft dus geen ongelijk als hij het vrije internet ‘duivels’ noemt.

Wat wij in het Westen onderschat hebben is dat de vrijheid van meningsuiting een meerkoppig monster is, en ook haatzenders omvat. Niet-westerse landen leren snel bij en gebruiken moderne media op hun manier. Blootstelling aan westerse vrijheden kan voor autoritaire samenlevingen een enorme cultuurschok zijn, óók als ze via een omweg komen, zoals via de Sovjet-Unie, die begin jaren negentig aan het uiteenvallen was. Waarbij Russinnen (beter: Georgiërs) in Oost-Turkije het soort decadentie introduceerden die Vladimir Poetin tegenwoordig het Westen aanwrijft. In het Westen dachten we lang dat het internet alle grenzen zou doorbreken en vanzelf een bevrijding zou zijn voor geknechte volken in de wereld.

Maar zo simpel is het niet. Het blijkt ook een medium waarop allerlei complottheorieën de ronde doen die door mensen zelf worden verspreid. Vooral monddood gemaakte mensen hebben daar een handje van, en je zou willen dat ze weer hun mond hielden. Al willen autoritaire overheden best een handje helpen om de fog of war op het wereldwijde web met hun eigen propaganda te vermengen. Zo zet Rusland internetrollen in en leggen de Chinese autoriteiten het internet gewoon stil. Beide overheden zijn gespecialiseerd in cyberoorlogen en het hacken van westerse internetsites, ook van banken en overheidsinstellingen. Baby-Kim in Noord-Korea staat hier z’n mannetje. Bashar al-Assad trok de stekker eruit; Jolande Sap had bij hem inspiratie kunnen opdoen over hoe je dat doet. Het is niet verrassend, maar waar het Westen dacht vanwege zijn technologische voorsprong in het voordeel te zijn, blijken ook niet-westerse spindoctors hun lesjes te hebben geleerd. En waar je zou denken dat de mainstream media dankzij het internet pluriformer en kritischer worden, is het ook makkelijker om via het web je eigen eenzijdige informatiepakket samen te stellen en je in je eigen virtuele subcultuur op te sluiten. Of louter flauwekul tot je te nemen, gevaarlijk of niet.

We weten niet goed wat dit met mensen doet. Over de oppervlakkigheid van Amerikaanse media is lang geklaagd, maar het internet is ook een Amerikaanse vinding. Amerika heeft ervaring met lone wolves, mannen in een houthakkershemd die met een pickup komen voorrijden en zomaar een schoolplein overhoop schieten. Of zulk geweld anderen ‘inspireert’, blijft koffiedik kijken. Dat geldt zeker voor niet-westerse culturen, die wij niet kennen en door andere complexen worden gedreven. Niet alle culturen reageren hetzelfde op elkaar, niet alle culturen moderniseren op dezelfde manier, niet alle culturen nemen evenveel aanstoot aan het Westen. Wat er in al die hoofden omgaat, is een black box, wat nog wordt versterkt door de wereldwijde stoorzender die het internet ook is.

Het enige dat we zeker weten is dat je al deze technische verworvenheden niet terug kunt draaien. Het internet was er ineens. Ongevraagd, als iets spannends en innovatiefs, die al snel een voldongen feit werd, als alle belangrijke revoluties. Je kunt het niet negeren, anders wordt je digibeet. Wat mij betreft hadden we de wereld in 1995 stilgezet. Ik zat niet te wachten op internet. De wereld die mij dierbaar is, was er al, of is er in rap tempo door verdwenen. We zijn er niet eens beter door gaan voetballen. Maar we kunnen niet meer zonder en hadden blijkbaar geen enkele moeite om ons aan te passen. De hele wereld doet mee, zelfs het moslimdeel. Goed voor de mondiale integratie dus, al gaat dat op lokaal niveau ongetwijfeld voor nog veel meer vervreemding en desintegratie zorgen.