Jalta-columnist Sjoerd van Hoorn heeft een eurekamomentje. Daar is hij ook filosoof voor. 

Er woedt een debat over seksisme in de Nederlandse media waarin er grofweg twee kampen zijn, namelijk het kamp van Geenstijl en gelijkontstemden en het kamp van het feminisme en geestverwanten. Geenstijl is van mening dat het amusant is om over vrouwen vooral te spreken in termen van plebejisch benoemde begeerlijkheid en dat zulk amusement bovendien onder de vrijheid van meningsuiting valt. De feministen zijn van mening dat elke referentie aan het uiterlijk van een vrouw zonder haar expliciete toestemming voor zo’n verwijzing eigenlijk al een verkrachting is. Deze beschuldiging lijdt aan het gebrek aan overtuigingskracht dat het hyperbool wel vaker aankleeft, ‘super’ komt zo langzamerhand vaker neer op faint praise, zoals bekend een effectieve manier om iets neer te sabelen, dan op hoge lof. Als een vrouw prijzen om hoe ze eruit ziet verkrachting zou zijn, zouden de gevangenissen vol zitten met afgewezen minnaars. Ik vraag me sowieso af hoe vaak zogenaamde seksuele intimidatie niet eigenlijk neerkomt op avances van een man die onaantrekkelijk gevonden wordt.

Dat neemt niet weg dat ook de zaak van Geenstijl de consistentie heeft van een natte krant. Het is één ding om een vrouw, of wie dan ook, te willen vleien met een compliment over haar uiterlijk maar iets heel anders om haar afwijzing als grievend te benoemen. Het is nog iets anders om je maatjes te willen laten zien hoe je de bitches eronder hebt en dan te jammeren als de dames niet meteen opzitten en pootjes geven.

Geenstijl verplaatst het vocabulaire van de voetbalkleedkamer naar de openbare ruimte en is verbaasd als het hoort dat zulks niet op prijs gesteld wordt. Vrouwen zijn echter stoerder dan politici en wensen zich de straatmanieren van de pseudonyme scribentjes niet te laten welgevallen. Man up zou ik zeggen.

Het feminisme heeft een heel ander probleem, namelijk een nieuw puritanisme dat niets wil toestaan dat niet is onderworpen aan het nieuwe evangelie van de contractualisering – “consent” riep Hadjar Benmiloud bij Buitenhof.

Toch hebben de feministen en de geenstijlers meer gemeen dan het op het eerste gezicht lijkt. Beide partijen zien namelijk hun wensen en verlangens, of wat ze daarvoor houden, als het alfa en omega van de openbare moraal. Wat goed is, dat maak ik zelf wel uit en jij hebt je maar aan mij aan te passen. Dat het goede een kwestie is van wat je goed vindt, dat moraal een kwestie is van psychologie, is een grondstelling van het liberalisme. Hoe iemand zijn leven inricht, is aan hem en niet aan kerk of overheid. Wat zowel Geenstijl als de feministen echter willen is hun private opvatting van het goede tot maatstaf voor het openbaar verkeer maken.

De discussie die nu gevoerd wordt komt neer op de privatisering van de openbare ruimte die je in het kleine elke dag kunt meemaken in het openbaar vervoer vanwege de tirannie van de mobiele telefoon. De wereld is een huiskamer waar per abuis ook anderen in hun joggingbroek rondhangen.  De openbare ruimte vraagt echter om wellevendheid, om ‘u’ en ‘excellentie’, om een net pak of jurk om voorrang geven en met twee woorden spreken. Alleen proleten vinden dat tuttigheid, wie nadenkt ziet dat manieren een afstand scheppen waarbinnen jij zelf kunt bepalen aan wie je laat zien wie je bent.

Natuurlijk is de openbare ruimte ook de plaats waar het theater van de verleiding opgevoerd wordt, waar vrouwen zich begeerlijk tonen en mannen dat opmerken, maar het kan niet de plaats zijn waar de gave opgemerkt te worden verwordt tot het gif van het opmerkingen krijgen. Evenmin kan de noodzaak van afstand betekenen dat men gevrijwaard blijft van de meningen van anderen.