Cliteur’s protegé en voormalige promovendus Floris van den Berg blijkt foute doordrammer.

Eén van de grootste uitwassen van het regressief-linkse denken is de op wetenschappelijk drijfzand gebaseerde filosofie van de dierenrechten. Het is zacht uitgedrukt nogal ironisch dat uitgerekend Paul Cliteur in zijn hoedanigheid van hoogleraar een prominente pleitbezorger is van deze filosofie. Ironisch, omdat dezelfde Cliteur ook degene is die beweert te strijden tègen het regressief-linkse denken – door hem volkomen misplaatst cultuurmarxisme genoemd – dat tot uitdrukking komt in politieke correctheid, identiteitspolitiek en diversiteitsdenken.

De strijdigheid van Cliteur’s standpunten blijkt des te meer uit zijn gelijktijdige, actieve steun aan het dierenrechtenactivisme en de politiek van de Partij van de Dieren (PvdD). Hij was zelfs jarenlang lijstduwer van de Partij voor de Dieren en ambassadeur van de Stichting Varkens in Nood. Maar dit dierenrechtenactivisme is wegens zijn selectieve politieke doelstellingen juist zèlf evident een (extreme) vorm van identiteitspolitiek. Nu niet met de een of andere minderheidsgroepering als onderdrukt slachtoffer maar het dier.

Het is daarom niet verwonderlijk dat er recent veel onrust ontstond in het dierenrijk toen Cliteur zijn overstap naar het Forum voor Democratie (FvD) bekend maakte.

Paul Cliteur, een epigoon van Peter Singer
Uit diverse publicaties blijkt dat de ‘inzichten’ van de Australische filosoof, ethicus en humanist Peter Singer er bij Cliteur in gaan als Gods woord in een ouderling. Deze Singer schreef weliswaar een beknopte en heldere biografie van Karl Marx maar is vooral bekend geworden met zijn werk over dierenethiek. Daarin staat centraal zijn morele gelijkwaardigheidsstelling die het volgende inhoudt: Het vermogen om te lijden of genot te ervaren is een noodzakelijke voorwaarde voor het al dan niet bezitten van belangen. Levende wezens die aan genoemd lijdens-criterium voldoen hebben een morele status, en zijn in moreel opzicht gelijkwaardig aan de mens. Deze stelling is op biologisch wetenschappelijk gronden feitelijk onwaar.

Het hebben van een moraal – hoe het hoort – is namelijk niet exclusief voorbehouden aan mensdieren, maar elke afzonderlijke diersoort heeft een eigen soort-specifieke moraal, d.w.z. een al dan niet bewust beleefd soort-specifiek voorkeursgedrag binnen de context van het ultieme soort-belang (te weten het overlevingsbelang van de soort). Het hebben van een moraal staat daarom los van het al dan niet kunnen lijden. Voorts staat volgens Darwin’s ‘strijd om het bestaan’ het belang van de eigen soort voorop. De morele statussen (soort-specifieke voorkeursgedragingen) van de verschillende soorten concurreren dus met elkaar. Derhalve is er geen sprake van morele gelijkwaardigheid tussen de soorten: integendeel, er geldt de wet van de sterkste. Wat ‘goed’ is voor de ene soort, kan ‘slecht´ uitpakken voor de andere soort. Morele gelijkwaardigheid is exclusief voorbehouden aan de individuele soortgenoten onderling.

Voor een nadere onderbouwing van onze kritiek op de dierenethiek van Singer verwijzen wij naar onze publicaties van september en oktober 2018 in het tijdschrift Civis Mundi.

Wat is recht?
Uit de vaststelling dat sprake is van een soort-specifieke moraal vloeit logischerwijs voort dat rechten op schrift gestelde afspraken (normen) behelzen die belangentegenstellingen binnen de biologische soort mens overbruggen. Ze komen tot stand middels onderhandeling of onderlinge strijd tussen gelijkwaardige belangenbehartigers. ‘Dierenrechten’ miskennen deze fundamentele notie van rechten. ‘Dierenrechten’ berusten immers niet op wederkerigheid maar op sentimentele identificatie met andere diersoorten (een zeehondje – een wezen dat kan lijden – lijkt meer op een mens dan een bacterie die naar men vermoedt niet kan lijden). Het is onthutsend dat Cliteur, nota bene een rechtsfilosoof, de basis van het recht niet kent en op onwetenschappelijke gronden rechten aan dieren wil toekennen.

Morele intimidatie door dierenethici
Eenieder die Singer’s ethiek betwist, wordt door hem beschuldigd van ‘speciesisme’, d.w.z. vooringenomenheid ten gunste van de belangen van de eigen diersoort, dat hij gelijkstelt aan racisme en seksisme (NB Alsof het soortbelang, dat voorop staat in de ‘strijd om het bestaan’, niet juist ten grondslag ligt aan Darwin´s evolutietheorie!). Dergelijke beschuldigingen – die zo kenmerkend zijn voor identiteitspolitiek en diversiteitsdenken – vinden ook hier ten lande gretig aftrek bij Singer’s regressief-linkse epigonen. Zo beweerde de fraudeur Diederik Stapel samen met Roos Vonk en Marcel Zeelenberg – onder de valse vlag van wetenschappelijk onderzoek – dat vleeseters “egoïstische hufters” zijn. Nog recent vergeleek Roos Vonk, oud-voorzitter van de stichting Wakker Dier, de bio-industrie met de Holocaust wat haar een reprimande van de Radboud Universiteit Nijmegen opleverde. Het prominente lid van de PvdD Ewald Engelen – volgens eigen zeggen sinds kort tot het veganisme “bekeerd” – bekende zich nog onlangs als “moordenaar met wroeging” in een artikel waarin hij in navolging van Roos Vonk varkens- en kippenschuren vergelijkt met de vernietigingskampen van de nazi’s in Polen en Wit-Rusland. Cliteur’s protegé Floris van den Berg vergelijkt een veehouder met ‘iemand die jarenlang vrouwen in een kelder vasthoudt en deze vrouwen misbruikt en hun baby’s afpakt en vermoordt’. En, eveneens in navolging van Roos Vonk, spreekt hij over de “dierenholocaust van de intensieve veehouderij”. Op TPO valt deze Van den Berg op met dogmatisch-moralistische artikelen waarin hij er voortdurend op hamert dat veganisme een morele plicht is. Dit alles weerhoudt Cliteur er niet van zijn pupil met lofuitingen te overladen en Van den Berg gelijk te geven wanneer deze stelt dat de gelovige veganist moreel superieur is aan de “carnistische” atheïst.

Al deze dubieuze vergelijkingen lijken de weg vrij te maken voor geweld tegen andersdenkenden en veehouders. Ter illustratie een uitspraak van Cliteur: “Het is denkbaar dat het moreel verantwoord kan zijn een mens te doden als daar een groot aantal dieren mee gered kan worden. Stel nou dat je door het vermoorden van een mens miljoenen dieren kunt redden, dan is dat verantwoord? Ja, dat is denkbaar. Daar sta ik achter. De fout van Volkert van der G. is dat hij heeft gedacht dat hij door Fortuyn te vermoorden, enige verbetering zou brengen in het lot van dieren. Dat was geen principiële fout, maar een strategische.” Nog afgezien dat Cliteur hier de moord op Pim Fortuyn goedpraat, roept zijn uitspaak ook vragen op als “Wie is het slachtoffer van de hypothetische moord in Cliteur’s gedachte-experiment? De levenspartner van Cliteur soms?” of “Offert Cliteur zichzelf op?”, of “Wie bepaalt wie het slachtoffer aanwijst? Cliteur, of zijn vijanden?” en “Welke dieren heeft Cliteur op het oog? Ratten of apen?”

Academische kwakzalverij
Nadat Cliteur het postmoderne gedachtegoed van Peter Singer met succes tot inzet had gemaakt voor de financiering van zijn onderzoeksproject inzake dierenethiek, verleende hij in 2011 als promotor zijn goedkeuring aan het academische proefschrift van Floris van den Berg. Een proefschrift dat voor een belangrijk deel is gebaseerd op het drijfzand van Peter Singer en ook voor het overige geen enkele wetenschappelijke basis heeft. Ons inziens had de promotiecommissie (met daarin onder andere Afshin Ellian) hier keihard in moeten grijpen en de promotie moeten blokkeren. Door Cliteur zijn gang te laten gaan is er mede door zijn toedoen een academisch klimaat ontstaan waarin de kwakzalverij van de dierenrechten salonfähig is geworden. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de promotie van Eva Meijer in 2017 met een proefschrift over de politieke participatie van dieren. En inmiddels heeft Cliteur weer een nieuwe dierenpromovendus.

 

Ten slotte
Wij zijn het met Cliteur eens dat onnodig dierenleed in niemands belang is. Daarom is het minimaliseren van leed inderdaad nastrevenswaardig. Maar niet zonder andere belangen mee te wegen. Daarbij is het cruciaal wie bepaalt wat onnodig is. Die beslissing zouden wij zeker niet laten bepalen door zichzelf superieur wanende dogmatici als Floris van den Berg met zijn enge beschuldigingen (Holocaust, racist, verkrachter, moordenaar, kindermisbruiker, seksist, immoreel monster, enz.) jegens een ieder die afwijkt van zijn veganistische geloof.

Onze kritiek op Paul Cliteur c.s. is van rechtsfilosofische aard en gericht tegen zijn blinde omarming van de zeer discutabele onderbouwing van dierenrechten, te weten Singer’s morele gelijkwaardigheidsstelling van mens en dier. Een stelling die op biologisch wetenschappelijk gronden feitelijk onwaar is, maar desalniettemin als een onwrikbaar dogma wordt beleden. Het wordt daarom hoog tijd dat Cliteur’s academische kwakzalverij een halt wordt toegeroepen. Maar of de financiers van Cliteur’s dierenproject onder de huidige omstandigheden van toenemende populariteit van het veganisme daar werk van gaan maken, wagen wij te betwijfelen.

Fred Neerhoff is een gepromoveerd elektrotechnisch ingenieur en toegepast wiskundige/publicist. Voor meer info zie: www.fredneerhoff.nl

David Bakker is fiscaal econoom en pensioendeskundige/publicist. Voor meer info zie: www.davidbakker.eu

 

Afbeelding: Wikimedia / Wikipedia Commons

Veganisme en de Holocaustvergelijking

Veganzeloot Roos Vonk helpt met haar Holocaustanalogie de dierenrechten niet bepaald