Waarom bieden veel media extreme figuren een platform? En is deplatforming in strijd met de vrijheid van meningsuiting? Of juist niet?

 

Jan Roos aan tafel bij Fidan Ekiz van de De Nieuwe Maan; Ronald Molendijk die bij RTL Boulevard beweerde dat mannen minder goed muziek maken dan vrouwen; alt-rechtsprofessor Jordan Peterson die een lezing geeft aan de UvA en rassentheoreticus en klimaatontkenner Thierry Baudet bij vrijwel alle TV-programma’s en in alle kranten: extreme figuren hebben in Nederland tegenwoordig echt alle ruimte om hun extreme meningen te geven.

Niet iedereen vindt dit een goed idee, vandaar dat er nu met een schuin oog naar ontwikkelingen in Amerika wordt gekeken. Het fenomeen ‘deplatforming’, het actief weren van mensen met een foute mening, heeft daar een hoge vlucht genomen. Nepnieuwsverspreider Alex Jones van Infowars is van Facebook, iTunes, Spotify, Twitter en YouTube gegooid. En trollenkoning Milo Yiannopoulos is op veel universiteiten niet meer welkom.

Natuurlijk, de vrijheid van meningsuiting is een hoog goed. Maar we moeten af van het misplaatste idee af dat alle meningen even veel waard zijn. Nepnieuwsverspreiders hebben niet dezelfde autoriteit als onderzoeksjournalisten, pseudowetenschappers zijn geen wetenschappers en complotdenkers en extremisten geen deskundigen. Vanwege de kijkcijfers en de clicks is het misschien leuk om een dwaallicht aan het woord te laten, maar je helpt de discussie er niet mee. Dat sommige media er daarom voor kiezen om niet langer met zulke figuren in zee te gaan is moedig. Deze principiële stap zouden meer media moeten zetten.

Maar is het deplatformen van mensen met een foute mening niet stiekem censuur? Nee, helemaal niet. De diverse media hebben hun eigen identiteit, kunnen en mogen gewoon bepalen wat ze wel en wat ze niet de ruimte willen geven. Pas als de overheid er zich mee bemoeit dan is er sprake van censuur. Weigert het NRC Handelsblad bijvoorbeeld een ingezonden opinieartikel van Geert Wilders te publiceren, omdat het slecht onderbouwd flutstuk is, dan is dat geen censuur maar redactioneel beleid. Het is pas censuur als de overheid dwingt om Wilders dit stuk van zijn website te halen. Daarom is het zo ironisch dat veel zelfbenoemde voorvechters van de vrijheid van meningsuiting Poetin en Orban verdedigen, die dissidente geluiden immers smoren. Vrijheid van meningsuiting betekent voor veel mensen – helaas – de vrijheid om hun eigen racisme zo hard mogelijk door de ether te schreeuwen. En wie daar wat van zegt beperkt de heilige vrijheid van meningsuiting, ofzo.

Het zijn juist de racistische roeptoeters die, net als autoritaire overheden, de vrijheid van meningsuiting bedreigen. Door andersdenkenden op Twitter kapot te trollen bijvoorbeeld. Maar ook door mensen te bedreigen, met bijvoorbeeld verkrachting of de dood. Eind vorig jaar kondigde journaliste van kleur Saeda Nourhussen aan te stoppen met haar column bij Trouw, omdat ze werd bedreigd door racisten en onvoldoende steun kreeg van haar collega’s bij de krant. Ook NRC-columniste Clarice Gargard werd door racisten verschrikkelijk belaagd. Maar in plaats van dat ‘rechts’ opkwam voor deze vrouwen, die in hun vrijheid van meningsuiting werden bedreigd, overheerste de Schadenfreude. Vooral Nourhussen zou die haatreacties over haarzelf hebben afgeroepen, omdat ze zich in haar columns heel kritisch over racisme uitlaat.

In het Nederlandse debat spelen narratieven een steeds grotere rol. Het gaat steeds minder om feiten en argumenten, maar om gevoel, om identiteit. Bij een deel van ‘rechts’ leeft heel sterk het gevoel dat mensen tegenwoordig niets meer mogen zeggen, omdat de ‘linkse kerk’ almachtig zou zijn. Volkomen nonsens, want we debatteren nu meer dan 15 jaar over de islam en de multiculturele samenleving, onderwerpen waar volgens menig rechtse opiniemaker een taboe op zou rusten. Maar door zichzelf in de slachtofferrol te plaatsen hoeft er niet meer te worden geluisterd naar de ander, omdat die de ‘vijand’ is, en moet het eigen grote gelijk zo luid en ongenuanceerd mogelijk van de daken worden geschreeuwd.

Een ander fenomeen, dat in het huidige debat heel belangrijk is, heeft Sargasso-columnist Joris Canoy als ‘hyperpartijdigheid’ omschreven. Het is de Nederlandse vertaling van hyperpartisanship. Hyperpartijdigheid houdt in dat je eigen ‘partij’ automatisch goed is en de ‘tegenpartij’ automatisch slecht, zodat je niet over je eigen standpunten hoeft na te denken. De waarheid is immers toch eeuwig en onveranderlijk. En het zijn juist de extreme figuren, die altijd maar weer hun mening komen geven in een discussieprogramma, die hyperpartijgangers zijn. Zij menen alles zeker te weten, over het klimaat, over de islam, over de vluchtelingencrisis, terwijl ze hun gebrek aan deskundigheid gewoon lopen te overschreeuwen met hun apodictische geneuzel, dat alleen goedgelovige onwetenden en de reeds overtuigden overtuigt.

Ten slotte, hoe maken we het debat beter? Hoe tillen we dit op een hoger niveau? Een goede stap is om echte deskundigen te verkiezen boven roeptoeters, inhoud boven ophef, argumenten boven complottheorieën en persoonlijke aanvallen. Daarvoor is deplatforming van extremisten nodig. En nogmaals, extremisten mogen hun eigen platforms hebben. Maar laat die lekker marginaal zijn.