Onder de Vogelaristische multiculturalisten en policorhoenders is een nieuwe species ontstaan, een groep van zowel allochtone als autochtone afkomst die Nederland en Nederlanders beschrijven als structureel discriminatoir en racistisch. Een excursie door de recente geschiedenis van Amsterdam volstaat om deze nieuwe klaagzang te ontkrachten.

Ze duiken overal op, als gifzwammen in een vochtige herfst. Het lijkt wel of ze allemaal uit dezelfde kloontjesfabriek komen. Deze klagende, onveranderlijk geprivilegieerde en maatschappelijk geslaagde zwelbasten tonen niets aan, bewijzen niets en stellen alleen dat het zo is. Ongeclausuleerd, zonder voorbehoud. Generaliserend. Stuitend. Daarmee bijten ze zichzelf al meteen gillend in de eigen staart, aangezien ze zelf ook allemaal Nederlanders zijn.

Klaagkloontjes

De laatste in de rij klaagkloontjes is Volkskrant-columniste Nadia Ezzeroili. Ze schreef een opiniestuk met de titel: Nederland en ik, we gaan uit elkaarEzzeroili schreef dat ze ‘Ik ben Nederlander’ niet meer uit haar strot krijgt. Wat zonder bewijs beweerd wordt, kan ook zonder bewijs verworpen worden. Aangezien Ezzeroili niets bewijst, zou ik haar betoog zonder er een woord aan vuil te maken van tafel kunnen vegen. Ze hoeft zich van mij helemaal geen Nederlander te voelen, een Eskimo mag ook.

Maar de kwaadaardigheid van haar beschuldigingen, de manier waarop ze afstand neemt van haar Nederlanderschap – ‘Jouw wantrouwen en achteloze afwijzing’ – irriteren me, omdat ze mij (en anderen) juist aanspreekt op basis van mijn afkomst en tegelijkertijd impliciet uitmaakt voor racist. Ezzeroili fundeert, zoals gezegd, de vermeende discriminatie op geen enkele manier. Ze gebruikt vage emotionele noties en een retorische truc, namelijk het weergeven van een vertekende werkelijkheid die ze vervolgens bekritiseert; en het volledig ontkennen en vakkundig bemantelen van een ander deel van de werkelijkheid, de lastige harde feiten die in strijd zijn met haar verongelijkte onlustgevoelens.

Amsterdamse ervaringen

Ik zal haar kennis wat bijspijkeren op basis van mijn Amsterdamse ervaringen. Als ik een slechte week heb, word ik toch wel gemiddeld zo’n twee keer fysiek en verbaal bedreigd, geïntimideerd, uitgescholden of op een andere manier onbeschoft of agressief bejegend door allochtone jongens en mannen. De overgrote meerderheid van die groep is van Marokkaanse afkomst.

Ik heb al drie keer in mijn eigen buurt meegemaakt dat Marokkaanse jongens met veertig kilometer per uur op de scooter langsrijden en mij opzettelijk aanschampen, terwijl ik gewoon op de stoep rustig een praatje sta te maken. Daarop volgt het bekende gedrag: woedend omkijken, de middelvinger geven, vloeken en schelden. Ik maak als zeer Arisch ogende goj regelmatig mee dat ik voor ‘kankerjood’ wordt uitgescholden, vooral in buurten als de Diamantbuurt, maar ook in andere delen van de stad. Voor deze jongens zijn alle blanken joden of homo’s. Hun wereld is heel overzichtelijk.

Ik maak als zeer Arisch ogende goj regelmatig mee dat ik voor ‘kankerjood’ wordt uitgescholden, vooral in buurten als de Diamantbuurt, maar ook in andere delen van de stad. Voor deze jongens zijn alle blanken joden of homo’s. Hun wereld is heel overzichtelijk.

Racisme

Er is nooit een rechtvaardiging voor dit wangedrag van deze jongens. Ik ken ze niet, zij kennen mij niet en ik heb ze nog nooit wat misdaan. Hun gedrag heeft zonder enige twijfel een racistische oorsprong. Het feit dat ik eruit zie als een autochtone Nederlander is voldoende. Dit is ongetwijfeld wat er steeds bedoeld wordt met het zogenaamde white privilege, het blanke privilege.

Ik maak dit al twintig jaar mee. Door mijn jarenlange onderzoeksjournalistieke werk, weet ik, dat ik deze ervaring deel met een enorme groep Amsterdammers van diverse etnische komaf. Toch wordt dit fenomeen in het verbolgen, vermeende racismediscours helemaal nooit genoemd. Racistisch gedrag is een aberratie die op raadselachtige wijze uitsluitend bij blanken voorkomt, die tegenwoordig met het denigrerende en lelijke woord ‘witten’ worden aangeduid.

Uit mijn boek Staatssecretaris of seriecrimineel, waarvoor ik uitgebreid met een grote groep Marokkanen sprak, blijkt dat het om een veel breder fenomeen gaat. Er is geen etnische gemeenschap waar het wij-zij-denken zo sterk is ontwikkeld als juist in de Marokkaanse. Er leeft een grote groep Marokkanen in Amsterdam, maar ook in de concentratiewijken in andere steden, die zich helemaal geen Nederlander maar Marokkaan voelt. En die Nederlanders, maar bijvoorbeeld ook Surinamers, de Nederlandse samenleving en het westen zeer vijandig gezind is.

Er leeft een grote groep Marokkanen in Amsterdam, maar ook in de concentratiewijken in andere steden, die zich helemaal geen Nederlander maar Marokkaan voelt. En die Nederlanders, maar bijvoorbeeld ook Surinamers, de Nederlandse samenleving en het westen zeer vijandig gezind is.

Schrikbarend

Onlangs tijdens een debat in de Badr-moskee maakte VVD-raadslid Samira Bouchibti nog eenzelfde observatie over haar leerlingen die ze als docente maatschappijleer meemaakt: ‘Ik kom schrikbarend veel leerlingen tegen die zich helemaal geen Nederlander voelen, alleen moslim. Zij vinden de Nederlanders racisten. Ik maak me veel meer zorgen over die enorme groep dan over de Syriëgangers. De moslims die zich afkeren van onze samenleving, die een hekel hebben aan de Nederlandse samenleving, aan de Nederlanders, de politie en Wilders. Ze denken: Ik hoor er toch niet bij. De racisten, de Nederlanders, beledigen mijn profeet.’

Vorig jaar mei was ik bij een ander debat in De Balie in Amsterdam met de titel ‘Altijd weer die Joden’, waar ook de jonge Marokkaanse schrijver Mano Bouzamour te gast was. Hij groeide op in een aanpalende buurt van de Diamantbuurt en vertelde dat de voetbalpartijtjes op het Henrick de Keijserplein met zijn Marokkaanse buurtgenoten, dagelijks afgesloten werden met het brengen van de Hitlergroet. Nu geloof ik absoluut niet dat Bouzamour zelf een antisemiet is, hij vertelde deze anekdote juist om te illustreren in wat voor een wereld en denkklimaat hij opgroeide, maar uit zijn verhaal bleek ook geen enkele schaamte en geen grammetje afkeuring. Ook vanuit het publiek en zijn gesprekspartners, waaronder Abraham de Swaan, kwam eigenlijk geen enkele reactie op deze schokkende ontboezeming. Blijkbaar wordt zo’n dagsluiter al als een normaal fenomeen beschouwd, zeg maar als een ‘achteloze afwijzing’.

Doodgezwegen

Een ander dramatisch verschijnsel wordt ook volledig doodgezwegen in Ezzeroili’s betoog. Al in 1988 werd de snel groeiende, onevenredig grote bijdrage van Marokkaanse jongens aan de zware straatcriminaliteit zichtbaar na een gemeentelijk onderzoek: Marokkaanse daders in de binnenstad. De uitkomsten van dat onderzoek, namelijk dat er twee- tot driehonderd Marokkaanse jongens in hiërarchische jeugdbendes opereerden die de binnenstad terroriseerden, kwamen onbedoeld naar buiten. Er ontstond veel opwinding over, want het louter rapporteren van deze feiten, getuigden volgens velen van stigmatisering en racisme.

Volgens een onderzoek van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) waren er 21 jaar later in heel Nederland al in totaal 14.462 Marokkaanse criminelen of van criminaliteit verdachte Marokkanen in kaart gebracht (Binnenlands Bestuur, 12 maart 2010). Van alle Marokkaanse criminelen en verdachten in ons Koninkrijk kwam wel zeventien procent uit Amsterdam, want in de hoofdstad telde de KLPD toen 2497 Marokkaanse criminelen of verdachten.

Uit een eigen onderzoek van de gemeente Amsterdam bleek dat er in dat jaar in Amsterdam 1500 harde kern-criminelen waren. Uit de landelijke gegevens bleek dat 35 procent van de seriecriminelen de Marokkaanse nationaliteit had. ‘Als je weet dat in die leeftijdsgroep ongeveer de helft van de Marokkanen de Nederlandse nationaliteit heeft aangenomen, kun je schatten dat 70 procent Marokkaans is,’ zei de projectleider toen in het Trouw-artikel (23 oktober 2010).

Gemiddeld is 38,7 procent van de Marokkaanse mannen tussen de 12 en de 24 jaar in de 22 zogeheten Marokkanengemeenten ‘één of meerdere malen bij de politie beland’. In enkele gemeenten loopt dat percentage op tot de boven de 47 procent. Deze cijfers zijn afkomstig uit de landelijke monitor over Marokkaanse en Antilliaanse Nederlanders 2011 van researchinstituut Risbo (Erasmus Universiteit). Rotterdam haalt een score van 55 procent (Frank Bovenkerk, 2009) en in Amsterdam bleek 70 procent van de Marokkaanse jongens tussen de 12 en 24, met één of meerdere processen-verbaal in de politieregisters voor te komen. Dat laatste cijfer, ook over meerder jaren gemeten, komt uit een onderzoek van de Dienst Openbare Orde en Veiligheid in Amsterdam, dat nooit naar buiten is gebracht.

In Amsterdam bleek 70 procent van de Marokkaanse jongens tussen de 12 en 24, met één of meerdere processen-verbaal in de politieregisters voor te komen. Dat laatste cijfer, ook over meerder jaren gemeten, komt uit een onderzoek van de Dienst Openbare Orde en Veiligheid in Amsterdam, dat nooit naar buiten is gebracht.

Ook het CBS onderzocht in 2010 welk percentage van de Marokkaanse jongens tussen hun 12de en 24ste over een periode van negen jaar, één of meerdere keren was aangehouden voor het plegen van een misdrijf. Dat bleek 65 procent te zijn.

Varkensbloed

‘Er gaat geen maand voorbij of moskee-bezoekers wassen het varkensbloed van hun stoep,’ schrijft Ezzeroili in haar opiniestuk. Ik weet niet of dat maandelijks gebeurt, maar ik weet wel dat het regelmatig voorkomt. Het is stuitend. Dit gedrag valt op geen enkele manier goed te praten, maar het is toch echt peanuts vergeleken bij de ravage die door dat enorme legioen van vijftienduizend Marokkaanse criminelen wordt aangericht, dat dagelijks de buurten van tientallen steden terroriseert met berovingen, autokraken, zware mishandelingen, roofovervallen op juweliers en liquidaties met kalasjnikovs.

Dit zijn jongens die er niet voor terugdeinzen om een oude dame te beroven, haar tegen de grond te hengsten en vervolgens op straat uitgebreid te bepissen. We hebben het over jongens die fietsende Hollandse vrouwen op de scooter van hun handtas beroven en hen zonder mededogen twintig, dertig meter gillend over het asfalt meesleuren, omdat ze hun tas niet willen loslaten. We hebben het over jongens die tijdens een gewapende overval bij Blokker een winkelmeisje aan haar haren tien, vijftien meter over de vloer door de hele zaak heen trekken om haar te dwingen de kluis te openen. We hebben het over jongens die met zijn drieën een 69-jarige vrouw tegen de grond schoppen omdat ze haar handtas niet wil loslaten. We hebben het over jongens die, zonder met hun ogen te knipperen, een juwelier of sigarenboer doodschieten voor een paar honderd euro uit de kassa.

Dit is al bijna dertig jaar aan de gang. Als Nederlanders of welke etnische groep dan ook, dit in Marokko hadden geflikt, dan waren ze ongetwijfeld op grote schaal slachtoffer geworden van gewelddadige vergeldingen. In Nederland is dat helemaal nooit gebeurd. Dus we kunnen zonder overdrijving stellen, dat er sprake is van bijna bovenmenselijke zelfbeheersing en juist een opvallend gebrek aan discriminatoire repercussies van de kant van de slachtoffers, die trouwens in alle etnische groepen voorkomen, ook Marokkanen.

Marokkanen versus Marokkanen

Daarmee zijn we meteen bij het derde punt gekomen, namelijk het feit dat een grote groep Marokkanen of Marokkaanse Nederlanders (zelfs die het niet meer willen wezen), juist veel te vrezen hebben van andere Marokkanen. Een goede vriend van mij werkt bij de Amsterdamse afdeling van Slachtofferhulp. Tot zijn verbazing bleek niet alleen de overgrote meerderheid van de daders, maar ook meer dan negentig procent van hun slachtoffers van Marokkaanse komaf te zijn.

Een goede vriend van mij werkt bij de Amsterdamse afdeling van Slachtofferhulp. Tot zijn verbazing bleek niet alleen de overgrote meerderheid van de daders, maar ook meer dan negentig procent van hun slachtoffers van Marokkaanse komaf te zijn.

Voor mijn boek Ahmed Marcouch, een politieke biografie, sprak ik opnieuw uitgebreid met een flinke groep Marokkanen, waaronder een paar bewoners van de Mondriaanbuurt in Overtoomse Veld-Noord (het voormalige stadsdeel Slotervaart). De Mondriaanbuurt was toen één van de meest criminele buurten van Amsterdam en feitelijk een Marokkanengetto. Taoufik was één van die bewoners. ‘Er worden veel indianenverhalen verteld over onze buurt,’ vertelde Taoufik toen, ‘Aan de andere kant waren en lopen er hier nog steeds heel veel criminelen rond. Die probleemgezinnen zitten nu allemaal geconcentreerd in een paar buurten, zoals onze wijk. De criminaliteit was jarenlang echt gigantisch in onze buurt. Maar de andere Marokkaanse bewoners hadden zelf dus ook heel veel last van die criminelen. Die kant van het verhaal wordt nooit verteld.’

De criminele buurt-Marokkanen probeerden de auto van het gezin, waar Taoufik deel van uitmaakte, te stelen en braken wel vijf keer in, in hun woning. ‘We hebben de afgelopen jaren dus vijf keer aangifte gedaan van inbraak en diefstal. Met die aangiftes heeft de politie helemaal niets gedaan. Dat weten de daders ook natuurlijk. Ze weten dat ze ongestraft hun gang kunnen gaan.’ Taoufik had een keer per ongeluk de voordeur van zijn woning laten open staan. Hij realiseerde zich zijn fout al heel snel en keerde meteen terug, maar merkte dat er in die paar minuten al een Marokkaanse buurjongen had ingebroken. Taoufik deelde een paar ferme meppen uit aan de insluiper en bracht hem naar zijn vader. Vervolgens kwamen tot zijn niet geringe verbazing twee oudere broers van de criminele buurjongen verhaal halen bij Taoufik. Ze bedreigden en intimideerden hem. ‘Die broers waren echt zware criminelen. Zo gaat dat dus bij ons in de buurt. Je moet het gore lef maar hebben. Daarom zijn de bewoners zo bang hier en gaan ze nooit naar de politie.’

Aboutaleb

Zo’n elf jaar geleden kwam ik maandenlang regelmatig voor journalistiek onderzoek in stadsdeel De Baarsjes (Amsterdam-West). Ik zag daar een keer de rapper Ali B. op het Mercatorplein optreden. Hij was toen nog niet zo beroemd, maar al aardig op weg een Bekende Marokkaan te worden en in brede kring populair en geliefd. Tot mijn grote verbijstering werd hij echter door het lokale Marokkaanse buurtschorriemorrie tijdens het optreden met volle bierblikken bekogeld en uitgescholden.

Ik begreep dat toen niet, maar later zag ik dit vijandige gedrag met betrekking tot succesvolle Marokkanen steeds weer terugkomen. Bijvoorbeeld bij Ahmed Aboutaleb. ‘Een bloemetjesblousejournalist grijpt een familiedrama aan in de hoop eindelijk de onbetrouwbare Marokkanensmoel van Ahmed Aboutaleb te ontmaskeren,’ schreef Ezzeroili in haar stuk. Ze doelt op het portret dat journalist Frenk van der Linden van Aboutaleb maakte. Ik heb me ook geërgerd aan deze uitdrukkelijke poging tot karaktermoord van Van der Linden, maar de columniste vergeet te vermelden dat één van de ergste verdachtmakingen in het profiel van een Marokkaanse jeugdvriend van Aboutaleb kwam: ‘Als Aboutaleb niet altijd op zolder had zitten studeren, dan was hij ook een “crimineeltje” geworden.’ Ze vergeet te vermelden dat Leefbaar Rotterdam-voorman Ronald Sorensen, ook na lang aandringen van Frenk, werkelijk niets negatiefs kon bedenken over Aboutaleb. Ze vergeet te vermelden dat er onder Rotterdammers op de sociale media grote verontwaardiging ontstond over dit portret en hij massale steunbetuigingen kreeg van de bewoners van zijn stad.

Maar wat er daarentegen in de periode waarin Aboutaleb nog wethouder in Amsterdam was op Marokkaanse sites aan scheldpartijen en bedreigingen verscheen, daar lustten de honden werkelijk geen brood van. Nadat Aboutaleb in de dagen na de moord op Van Gogh het had gewaagd om kritiek te uiten op de groep Marokkanen die zich misdroeg in de hoofdstad – ‘Als het je hier niet bevalt, moet je je koffers maar pakken’ – moest ‘de Marokkaanse NSB’er’ Aboutaleb, vanwege de kennelijk zeer ernstige bedreigingen uit Marokkaanse hoek jarenlang beveiligd worden door de politie.

Het was in die periode dat een Marokkaanse blogger werkelijk alle Marokkaanse politici van Naima Azough, tot Tofik Dibi, Ali Lazrak, Khadija Arib (‘dé dinosaurus onder de Marokkaanse politici’), Ahmed Aboutaleb en Ahmed Marcouch op een hele smerige manier aanviel en afzeek. Deze politici behoorden allemaal tot heel verschillende partijen. Het enige dat ze gemeen hadden was hun Marokkaanse afkomst.

Karaktermoord

Ahmed Marcouch, die ik jarenlang heb gevolgd, had vanaf het begin van zijn politieke loopbaan te maken met veel weerstand van islamkritische autochtonen, maar ook juist met regelrechte haat van een flink deel van onze Marokkaanse medelanders. De kritiek, afkeer, verdachtmakingen, laster en karaktermoord op zijn persoon vergezelden hem permanent. Die Marokkaanse vijandigheid begon al voor zijn politieke carrière, toen hij als politieman in de Indische buurt werkte. Als agent pakte hij regelmatig verdachten op met veel verschillende etnische achtergronden: Turken, Surinamers, Nederlanders, Afrikanen en andere nationaliteiten. Maar nooit maakte hij bij deze groepen mee dat de etnische kaart werd uitgespeeld. Dat gebeurde alleen bij de grote groep Marokkaanse daders. Daarbij ontstonden op straat vaak echt dreigende situaties doordat Marcouch en zijn politiecollega ingesloten werden door een meute van razendsnel opgetrommelde woedende buurt-Marokkanen die hem en groupe bedreigden, uitscholden en van jong tot oud uitmaakte voor verrader. ‘Het is echt ongelooflijk, maar zelfs kinderen van tien deden daar al aan mee.’

Daarbij ontstonden op straat vaak echt dreigende situaties doordat Marcouch en zijn politiecollega ingesloten werden door een meute van razendsnel opgetrommelde woedende buurt-Marokkanen die hem en groupe bedreigden, uitscholden en van jong tot oud uitmaakte voor verrader. ‘Het is echt ongelooflijk, maar zelfs kinderen van tien deden daar al aan mee.’

Toen Marcouch bestuurder werd in het Amsterdamse stadsdeel Slotervaart, zag hij de vijandige leuzen op de muren in het stadsdeel staan, hij ontving de haatmails van de religieuze radicalen, zijn auto werd in de parkeergarage van het stadsdeelkantoor door onbekenden bekrast na de dubbele poging tot moord van Bilal B. Al vanaf het moment dat Marcouch aantrad in Slotervaart werd hem regelmatig als hij door de buurt liep ‘verrader’ toegesist in het Marokkaans. Later werd dat zemmel, het Marokkaanse (scheld)woord voor homo, toen hij kritiek had geuit op de discriminatie van en het geweld tegen homo’s door moslimjongeren.

Marcouch werd ook door een flink deel van de Nederlandse salafisten verketterd vanwege zijn consequente kritiek op de radicale islam in Nederland en kreeg te maken met intimidaties en doodsbedreigingen. De Haagse salafistische radicale imam Fawaz Jneid sprak in die tijd een fatwa over Marcouch uit, waarin hij Marcouch een munafiq (hypocriet) noemde. Een ernstige en gevaarlijke beschuldiging in radicale kringen. Daar is nog nooit enige opwinding over ontstaan op straat of in de columns van de kwaliteitscouranten. Op de Marokkaanse sites werd hij door Marokkaanse stukjesschrijvers en andere homofobe en antisemitische reaguurders die je op deze sites regelmatig aantreft, de grootste homo van Amsterdam, een kafir-lover, kaaskop, zionist en een verrader genoemd.

‘Onze scheiding van tafel en bed is al realiteit,’ schrijft Ezzeroili aan het eind van haar betoog. Dat klopt. Maar dat hebben Marokkanen echt vooral zelf gedaan.