Na in mijn jongere jaren nog in de geest van een premoderne geloofs- en denktraditie en de daarmee samenhangende autoritaire en hiërarchische structuren te zijn opgegroeid, heeft mijn inburgering in de moderniteit een beslissende invloed gehad op het verdere verloop van mijn leven.”

Het is het openingsstatement van Wim Couwenberg, de onvermoeibare oud-hoogleraar Staats- en Bestuursrecht uit Rotterdam en bezielende kracht achter het tijdschrift Civis Mundi, in zijn jongste boek onder de titel: Heeft geschiedenis zin? Of is dat een onzinnige vraag? Voor de auteur, die zijn negentigste levensjaar is ingegaan, zijn dat eigenlijk geen vragen. Couwenberg ziet de geschiedenis als onophoudelijk leerproces en hij verbaast zich erover dat historici daar zo afwijzend over doen. Veel historici doceren dat de geschiedenis zich nooit herhaalt en dat er daarom geen lessen uit te leren zijn, of dat mensen geneigd zijn er de verkeerde lessen uit leren, zoals generaals die zich op de vorige oorlog voorbereiden. Couwenberg plaatst daar zijn eigen (lange) levenservaring tegenover en stelt vast dat de mens niet anders kan dan van zijn eigen verleden te leren en dat de ontwikkeling van de moderne wetenschap dat ook laat zien.

Ik denk dat Couwenberg daarin gelijk heeft. Hij hekelt terecht het gebrek aan geschiedfilosofisch besef onder historici, die daarmee het grote maatschappelijke belang van hun vak zelf ondermijnen. Wie zegt dat je niets van het verleden kunt leren, moet niet gek opkijken als op de actualiteit gerichte politici en onderwijsmanagers de geschiedenis aan eigen doeleinden ondergeschikt maken of uit het curriculum schrappen. Tegelijk zijn historici niet gek. Hun afkeer van lessen trekken uit het verleden komt voort uit het inzicht dat de geschiedenis zich niet laat vangen in grote patronen of systemen, en dat de geschiedenis in het verleden vaak voor politieke propaganda is misbruikt. Dat laatste inzicht, eigenlijk een groot voorbehoud, een ‘maar’ die van scepsis getuigt, is overigens ook een historische les, getrokken uit een (Europese) eeuw vol verdwazing en geweld.

Wat mij betreft mag je hier van de ironie van de geschiedenis spreken, een constante die mensen telkens weer op het foute been zet. Toch hebben historici daar wel degelijk iets tegen te bieden. Zonder kennis van het verleden, in de vorm van jaartallen en een periodisering in tijdvakken (zoals de ‘korte twintigste eeuw’, die met de oerknal van Sarajevo in 1914 begon en in 1989 eindigde met de val van de Berlijnse Muur), zou de mens op de tast rondlopen, geen tijdsbesef of eigen identiteit hebben en geen veranderingen kunnen waarnemen. Juist waar de moderne wetenschap evolutionair van aard is, inclusief grote doorbraken en paradigmawisselingen, zou je kunnen zeggen dat er niets belangrijker is dan historisch denken en kennis van de geschiedenis (die paraat moet zijn om alert te blijven). Dat maar zo weinig mensen dat lijken te zien, bergt het gevaar van intellectuele regressie in zich. Van decadentie en verval dus.

Het verkwikkende van de geleerde Couwenberg is dat hij zich niet overgeeft aan zulk pessimisme. Geen Soumission (Michel Houellebecq) voor hem. Integendeel. Couwenberg, die van katholieke huize stamt, en de katholieke emancipatie en de latere ontzuiling en ontkerkelijking bewust heeft meegemaakt, benadrukt dat hij is ingeburgerd in de moderniteit zonder van zijn premoderne ‘roots’ een geheim te maken. Hij begrijpt zichzelf als historische persoonlijkheid, die zich heeft losgemaakt uit de kluisters van het verleden zonder die te verloochenen. Het is goed het openingsstatement van Couwenberg nog eens goed tot u door te laten dringen, want de geleerde zegt dat hij zich thuisvoelt in de moderniteit die hem aanvankelijk als vreemd en misschien zelfs als vijandig voorkwam. Dat zegt hij op hoge leeftijd, wanneer de meeste mensen de neiging hebben om al of niet verbitterd terug te kijken en zich verweesd voelen in een wereld die ze niet meer begrijpen. Couwenberg niet. Hoewel hij zich van abstract proza bedient met naar huidige maatstaven veel te lange zinnen, is hij jong van geest en heeft hij van alles te zeggen over hedendaagse ontwikkelingen in het commerciële medialandschap, het internet en zelfs de rapcultuur.

Over die moderniteit, een historisch proces dat met vallen en opstaan in Europa is begonnen en dat hij als emancipatie ziet van de mens die zijn omgeving (zowel de natuur als ‘andere’ samenlevingen) steeds meer tracht te beheersen en te onderwerpen, is Couwenberg gematigd optimistisch. Hij ziet wel degelijk een voorzichtige vooruitgang, niet alleen op technisch en wetenschappelijk gebied, maar ook op politiek en moreel gebied, tot uiting komend in de Verklaring van de Rechten van de Mens die voor de hele wereld zou moeten gelden. Toch is hij geen humanistische dromer of politiek correcte meeloper. Juist omdat hij zich zo bewust is van zijn premoderne ‘roots’, een katholicisme dat zich (vergeefs) tegen de moderne tijd verzette, ziet hij ook de spanningen en de verwoestingen die de mondiaal oprukkende moderniteit met zich meebrengt. Van hem geen uithalen tegen de ‘achterlijke islam’ of andere culturen die het tempo van het Westen niet kunnen bijbenen. Je kunt je bovendien de vraag stellen of wij dat zelf kunnen. Veel ouderen haken voortijdig af in wat in toenemende mate een jeugdcultuur aan het worden is waarin alles wat ‘nieuw’ is wordt omhelsd en een naïef vooruitgangsgeloof de trend zet. Die kinderlijkheid zien we minder in het ‘Oude Europa’, dat vermoeid is en door twijfel wordt overmand, dan in Amerika, de ‘nieuwe wereld’ die andere continenten wel even dacht te democratiseren en geen oog had voor de weerstand die dat oproept. Europa is sadder and wiser (al kan Nederland een uitzondering zijn: nergens is de jeugdcultuur zo overheersend als hier). Het likt zijn wonden na twee wereldoorlogen, is zijn koloniën kwijtgeraakt, en richt alle energie op een unificatieproces waarvan niet vaststaat of het zal slagen.

Couwenberg idealiseert het mondiale moderniseringsproces niet, maar probeert het te zien zoals het is: onderzoekend en experimenterend, een rationaliseringsproces dat enorme en onvermoede krachten mobiliseert, maar waarin ook steeds weer vergissingen worden begaan. Daarbij worden de verliezers heel vaak vergeten, net als het feit dat dit oprukkende mondialiseringsmodel niet alleen op vreedzame handel is gericht, maar ook buitengewoon gewelddadig kan zijn. Na de aanslagen in Parijs was er weer even een debat of geweld inherent is aan de islam. Mij lijkt het evident dat het Westen sinds 9/11 een oorlog (tegen het terrorisme) krijgt opgedrongen vanuit de moslimwereld, maar dat zegt weinig over de vraag of de islam (die met het zwaard is verspreid) gewelddadiger is dan andere religies.

Er zijn godsdienstoorlogen geweest, ook in naam van het christendom (zoals de kruistochten), maar veruit de grootste slachtpartijen vonden in de moderne tijd plaats en zijn begaan uit niet-religieuze motieven. De grootste massamoordenaars van de twintigste eeuw, Mao, Stalin, Hitler en Pol Pot, waren atheïstische moderniseringstheorieën toegedaan, zoals communisme, fascisme en als reactie nationalisme, bastaardkinderen van de Franse Revolutie die in massamobilisatie voorzag en tegen het Ancien Regime (de kerk van Rome en de Europese monarchieën) was gericht. Kijk naar het proces van  moderne staatsvorming, dat in grote delen van de wereld (Midden- en Oost-Europa, de Balkan, Midden-Oosten, het Indiase subcontinent) met volksverhuizingen, etnische zuiveringen en volkerenmoord gepaard is gegaan. Dat geldt ook voor Noord-Amerika, waar de Indianen het niet hebben overleefd. In Latijns-Amerika stierven ze vooral door nieuwe ziekten uit.

Ook de Papoea’s hebben het afgelegd tegen de oprukkende moderniteit, die in de jaren zestig van het nationalistische (vrijgemaakte) Indonesië kwam. De voormalige kolonisator Nederland nam het toen, zeer ongeloofwaardig in de ogen van de rest van de wereld, op voor de bedreigde Papoea’s, en stond evenzeer aan de ouderwetse, verliezende kant. Evenmin kan het kwaad eraan te herinneren dat Amerika tot nu toe de enige mogendheid is geweest die kernwapens heeft ingezet: in naam van vrijheid en democratie. Denk dus niet dat democratische samenlevingen te soft zijn voor de oorlog of alleen bombarderen met een juridisch handboek in hun achterzak. Als de nood aan de man is, mobiliseren democratische staten een overweldigende hoeveelheid geweld en is er geen weg meer terug. De geallieerden eisten in WO II ‘totale overgave’ van de vijand (de As-mogendheden), de tijd van praten of theedrinken was na 1941 voorbij.

Wij maken ons momenteel druk over de opdringerigheid van de islam. Heel goed. Maar (inderdaad ‘MAAR’) het is heel fout daarbij niet de opdringerige kanten van onze westerse cultuur te willen zien. Het door het Westen vormgegeven moderniseringsproces rukt wereldwijd op en legitimeert zichzelf, door zijn eigen succes en doordat de per definitie achterlijke verliezers niet genoeg ‘bij de tijd’ waren. Daar is geen ontsnapping aan mogelijk, voor niets en niemand, en vraagt (op straffe van uitsluiting) aanpassing en inburgering van iedereen. Ik zou zeggen: bekijk het ook eens door de premoderne ogen van Couwenberg*, die in zijn eigen leven heeft ondervonden hoe bedreigend dit vooruitzicht is voor elk geloofsysteem dat niet aan de laatste eisen voor de toekomst voldoet. Dan leer je beter te begrijpen wat het Westen nog aan haat te wachten staat. De moderniteit verwoest in zijn alomvattende zegetocht heel veel: ook een te rooskleurige kijk op het eigen verleden.

* Prof. Dr. S.W. Couwenberg: Heeft geschiedenis zin? Of is dit een onzinnige vraag? Met een commentaar van Prof. Dr. P.B. Cliteur, Deventer Universitaire Pers 2014. 207 bladzijden. Prijs € 19,90.