Dagblad Trouw schoot een grote bok met de publicatie van de verzonnen scoops van Perdiep Ramesar, en wrong zich in vele bochten om een en ander weg te poetsen en zich te presenteren als een gewetensvolle krant. Maar wat heb je aan nieuwe regels en controlemechanismen als de onderliggende ethiek bij de journalisten ontbreekt? Het lukt de jongens en meisjes van Trouw nog steeds niet om de meest elementaire journalistieke regels te volgen.

Vier weken geleden, op 14 januari, presenteerde ik in Gouda mijn nieuwe boek ‘Voor religie en vrijheid’. ’s Morgens om half elf kwamen er twee journalisten van de afdeling ‘Religie en Filosofie’ van Trouw langs. Van tevoren hadden we afgesproken dat we het over dit boek zouden hebben, en niet wéér over mijn vroegere avonturen. De een, Gerrit-Jan KleinJan, leek mij iemand uit een orthodox-christelijk nest die er alles aan doet om dat dan wel te verhullen dan wel er wraak op te nemen. De tweede, Wilfred van de Poll, oogde wat onthechter. Zijn Facebook-pagina onthult dat hij aan de University of the South Pacific op de Fiji Islands heeft gestudeerd, en een kek sjaaltje scheen dat te onderstrepen.

‘De spelregels!’, sommeerde de heer KleinJan toen de heren aan mijn eettafel waren aangeschoven. Ze zouden de tekst ter approbatie voorleggen, en daarna in de loop van de volgende week publiceren.

Ik heb na het gesprek drie weken niets gehoord. Werry Crone (nette, aardige man) was ondertussen een uur langs geweest om een foto te maken. Toen kreeg ik begin vorige week bericht dat het zaterdag 7 februari in de krant zou komen, en dat ze de tekst donderdags zouden opsturen, aan het einde van de middag. Dat werd het begin van de avond, terwijl ze wisten dat ik dan niet thuis zou zijn in verband met een lezing in de Essalammoskee en ik de volgende dag gewoon weer om half negen op m’n werk moest zijn. Ik heb er dus donderdagavond heel laat even naar kunnen kijken.

Het gesprek was niet eens bijzonder onaangenaam verlopen, al weet je dat het conservatisme in Trouw geen goede pers heeft. Ze rookten gezellig een sigaartje mee. En ik dacht: ach, zo’n boek over de christelijke traditie en tolerantie en rechtstaat, misschien dat daar bij trouw toch wel interesse voor is.

Nu is het, volgens mij, bij een interview zo: of je gaat naar iemand toe uit interesse voor wat die persoon te vertellen heeft, of je bent het grondig met hem oneens en gaat een fikse discussie aan. Daarvan was echter geen sprake. Beide heren behoorden tot het soort dat Jort Kelder eens heeft getypeerd als poeslieve jongetjes zolang ze met je praten, die dan tot kleine tijgertjes uitgroeien zodra ze thuis achter hun toetsenbord zitten.

Het resultaat was ernaar. Ze waren niet in mijn verhaal geïnteresseerd geweest en hadden het ook niet aangedurfd om de degens verbaal te kruisen zolang ze door mij van koffie en sigaren werden voorzien. Maar thuisgekomen deden ze hun best aan de lezers duidelijk te maken dat ik een vermoeid relict uit een ver verleden was wiens rol in het debat was uitgespeeld. Ze hadden van tevoren een vast beeld en bleken niet van zins dat beeld door welk feit ook te laten corrigeren.

‘De schemer zet in’, zo beginnen ze hun schets van de sfeer bij mij thuis. Nu zijn ze om een uur of half één ’s middags vertrokken, dus die zonsverduistering viel wel mee. ‘Schaduwen vallen over de bank, de blankhouten tafel met de hoge, stoffen stoelen, de prent aan de muur met hooiende boeren’. Een al stoffigheid, jaren vijftig dus, bij die Spruyt thuis. Ik heb een bank, dat geef ik toe. Maar de eettafel is van mahonie (naar mevrouw Spruyt mij nog heeft verzekerd), de hoge stoelen van leer en de prent is een reproductie van het schilderij ‘Zomerweelde’ van Jac. van Looy. Wat zullen ze het betreurd hebben dat er geen harmonium in de hoek van mijn huiskamer stond!

Die tendentieuze sfeerschildering is het kinderachtigste nog niet. Bedenkelijker, om niet te zeggen onheus, is dat de tekst die ik ter goedkeuring kreeg voorgelegd níet de zinsnede bevatte: ‘Niemand luistert naar mij’. Zaterdags stond die zin wel in de krant, sterker nog: het stond zelfs als kop boven het verhaal.

Hoe maken we hem af, moeten Wilfred en Gerrit-Jan hebben gedacht, en hoe stellen we hem zo sneu mogelijk voor.

Het is ze gelukt, op een wat doortrapte manier, die zich slecht laten rijmen met het ethisch reveil dat de hoofdredactie van Trouw na de Ramesar-zonden aankondigde.

Daar gaat mijn boek overigens over, over innerlijk fatsoen als voorwaarde voor democratie (en dus ook voor journalistiek).

Tot zover Trouw. Voorlopig. De hoofdredactie gaat vandaag met de heren in gesprek.