Onlangs zei mijn Duitse lerares -toen het onderwerp, zoals wel vaker, plotseling veranderde van Duitse grammatica naar wat levensgeluk nou eigenlijk is- ‘Mann muss immer tiefer gehen’. Dieper gaan in plaats van meer van alles. Intensiever leven in plaats van ‘immer so produktief sein’. De 19e-eeuwse Deense filosoof Kierkegaard zou dol op haar zijn geweest.

Ik kwam hem afgelopen week per toeval een paar keer tegen, één keer in een oude column van Maxim Februari en een keer in een boek van Stefan Hertmans. Ik bleef er dus maar een beetje in. De ‘Socrates van Kopenhagen’ , zoals hij ook wel wordt genoemd, vond dat mensen dieper moesten gaan en geëngageerd moesten zijn. Dat gebeurde volgens hem te weinig, omdat het alledaagse bewustzijn en gedrag van mensen te veel beïnvloed wordt door zogenaamde ‘intellectuele waarheid’ en de regels van de kerk. Hij was zeker geen tegenstander van objectief onderzoek, of van het Christelijk geloof als zodanig, maar hij zag hoezeer de onderworpenheid aan abstracte instituties de hartstochten vernietigde. Zijn hartstochtelijke cultuur- en religiekritiek (hij schreef ontzettend veel) zorgde ervoor dat hij niet door toedoen van een ander maar helemaal uit zichzelf op 42 jarige leeftijd midden op straat instortte. Hij werd nog korte tijd verpleegd in een ziekenhuis waar hij een dominee met brood en wijn weigerde, evenals een ‘huichelachtige broer’. Desondanks verheugde hij zich op het ‘spreken met Jezus’ na zijn dood, aldus zijn grafsteen.

Ik zie wel wat in die terugkeer van de hartstochten, al was het maar omdat we daarmee onze eigen ervaring weer serieus mogen nemen, als iets gezaghebbends. Hoe vaak heb ik niet het gevoel dat ik mijn eigen persoonlijke ervaringen moet toetsen aan wat échte (ervarings)deskundigen zeggen, het is een soort voortdurende kleine kwelling, alsof mijn eigen bezwaren tegen bijvoorbeeld Ipads in de schoolklas, scooters in de stad en islamisering pas iets betekenen als ook tenminste tien wetenschappers er sceptisch tegenover staan. Bijna nooit dus.

In dit pleidooi voor persoonlijke ervaring gaat het niet alleen om wat ik persoonlijk ervaar. Een tekort aan subjectiviteit (of noem het passie, hartstocht, intuïtie) pakt namelijk desastreus uit voor de hele samenleving. Het is namelijk niet alleen zo dat we gewend zijn naar boven kijken voor antwoorden, tegelijkertijd wordt daarboven in de ivoren torens onze subjectieve belevingswereld tot die van de objectieve werkelijkheid gerekend: het persoonlijke is ook onderdeel geworden van allerlei ‘representatie-ideeën’. Steeds meer menselijke activiteiten betekenen minder dan intellectuele begrippen. Neerslachtigheid wordt klinisch depressief, tien wijntjes per week alcoholisme, biologische eten gezond, fietsen zonder helm gevaarlijk.

Steeds meer menselijke activiteiten betekenen minder dan intellectuele begrippen. Neerslachtigheid wordt klinisch depressief, tien wijntjes per week alcoholisme, biologische eten gezond, fietsen zonder helm gevaarlijk.

Onze dagelijkse beslommeringen, gedachten en ideeën verliezen zo hun waarde terwijl ze wel betekenis zouden krijgen als we ze vaker zouden bekijken vanuit het subjectieve standpunt van de handelende persoon. Vergelijk het met iemand die door Duitsland wil reizen en daarvoor een wereldkaart gebruikt. De kaart toont hem Duitsland ten opzichte van andere delen van de wereld maar voor zijn doel heeft deze kaart hem niets te vertellen dat van belang is. Die wereldkaart wordt ons wel steeds in handen gedrukt.

Kijk maar naar het vluchtelingenprobleem. Als iets de objectivering van een probleem niet goed doorstaat, dan is het de wetenschap die zich bemoeit met de vluchtelingencrisis. Ik heb echt geen idee wat de verder sympathieke Beatrice de Graaf precies zegt als ze spreekt over de oorzaken van terrorisme of hoe de zoveelste cirkeldiagram van Leo Lucassen precies gaat voorkomen hoe straks nog meer van onze vrijheden verloren gaan. Ze wekken de verstandige suggestie van ‘eerst feiten dan emotie’ maar ze vergeten dat ‘de feiten’ er al zijn, in ons. Kierkegaard: ’Heden ten dage kan men echt met een medemens spreken, vaststellen dat wat hij zegt uitermate verstandig is terwijl het gesprek toch de indruk achterlaat dat men met een anonymus stond te praten’.

Een samenleving die steeds gehoorzaam moet zijn aan de eisen van objectiviteit, waarin alles onder controle lijkt, waar het –mir nichts dir nichts– en het ‘wir schaffen das’ gevoel het énige legale gevoel is, en al het andere slechts onderbuik, zorgt er voor dat mensen geen deelnemers meer zijn van hun eigen samenleving, maar toeschouwers.

Een samenleving die steeds gehoorzaam moet zijn aan de eisen van objectiviteit, waarin alles onder controle lijkt, waar het –mir nichts dir nichts– en het ‘wir schaffen das’ gevoel het énige legale gevoel is, en al het andere slechts onderbuik, zorgt er voor dat mensen geen deelnemers meer zijn van hun eigen samenleving, maar toeschouwers. Zo wordt het ongedefinieerde publiek de drijvende kracht achter alles, een soort niemandsland waarin door toedoen van de pers alleen nog karikaturen van individuen worden getoond: de PVV-er met pitbull uit de Haagse Schilderswijk, een tiental cliché huisvrouwen met spandoeken tegen Wilders en de Pegida betogers, bijvoorbeeld. Niet die jonge vrouw die ’s ochtends haar kinderen heeft weggebracht, zich door het verkeer wurmt naar kantoor en ’s avonds gedichten schrijft of taarten bakt, zich afvragend of haar man nog van haar houdt. Het verborgen levenslot van alledaagse mensen kan echter veel meer zeggen over waar we in terecht zijn gekomen. Die verhalen zijn ook keihard nodig om de enorme illusie van en overkill aan ‘objectiviteit’ door te kunnen prikken. De paradox van de enkeling die enkeling moet blijven om een gemeenschap te kunnen zijn is wat Kierkegaard zijn hele leven bezighield, hij liet er zelfs een verloofde voor schieten. Maar zo ver hoeven we niet eens te gaan! Een beetje tiefer gehen is al genoeg.