Op 24 april 1915 begon het Ottomaanse Rijk met de massamoord op zo’n 1,5 miljoen Armeniërs, die de geschiedenis is ingegaan als de Armeense Genocide. Het onderwerp ligt 100 jaar later nog steeds erg gevoelig.

‘Wij leven nog steeds met de gevolgen’ vertelde de Armeniër Johnny Shabo van het Comité 1915 aan de Twentse krant Tubantia, toen op zaterdag 28 februari de tentoonstelling over de Armeense genocide geopend werd in de Openbare Bibliotheek in Enschede. Ook de Turken leven nog steeds met de gevolgen, maar op een heel andere manier. De Turkse regering ontkent dat er een genocide op de Armeniërs heeft plaatsgevonden en sinds 2005 is het erkennen van Armeense Genocide zelfs strafbaar in Turkije. Nadat het Europees Parlement op 12 maart een rapport had aangenomen waarin Europese lidstaten werd opgeroepen de Armeense Genocide te erkennen reageerde Turkije dan ook furieus. Volgens Tanju Bilgiç, woordvoerder van het Turkse Ministerie van Buitenlandse Zaken, was het mensenrechtenrapport historisch onjuist en ontbeerde het ook een rechtsgeldige basis. De Europarlementariërs wisten niet waar ze het over hadden en brachten de goede relaties met Turkije in gevaar.

Hoe zit het nou precies met de Armeense Genocide? Waarom is deze genocide, politiek gezien, nog steeds zo controversieel? En wat moet er nu eigenlijk gebeuren?

Allereerst de feiten.

1000px-Armenian_Genocide_Map-en.svg

De Armeense Genocide vond plaats tijdens de Eerste Wereldoorlog. In november 1914 koos het Ottomaanse Rijk de kant van de Centralen: Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Hierdoor kwamen de Turken in oorlog met Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland. Het Russische tsarenrijk had zich in de negentiende eeuw opgeworpen als de beschermer van de christelijke volken die binnen de grenzen van het multiculturele Ottomaanse Rijk leefden. Dankzij de steun van Rusland waren Servië en Bulgarije onafhankelijk geworden. Zouden de Armeniërs ook een onafhankelijke staat krijgen? Niet als het aan Mehmed Talaat Pasha, Ismail Enver Pasha en Ahmed Djemal Pasha lag, het driemanschap dat het Ottomaanse Rijk leidde tijdens de Eerste Wereldoorlog. De drie pasja’s waren radicale nationalisten die van het Ottomaanse Rijk weer een sterk land wilden maken. Dat kon alleen als het een echt Turks land werd. De christelijke Armeniërs die in de oostelijke provincies woonden pasten niet in de toekomstplannen van het driemanschap. Daarnaast werden ze als potentiële landverraders beschouwd die zouden overlopen naar de Russen als ze de kans kregen.

Nadat het Ottomaanse leger eind 1914 door de Russen in de pan werd gehakt gaf Enver Pasha de Armeense soldaten de schuld van de nederlaag. Ze werden gedemobiliseerd en moesten werken in ongewapende werkbataljons. Dit was een voorbereiding op de genocide. Ongewapende mannen konden zich immers niet verdedigen tegen de moordcommando’s.

Op 19 april 1915 kwam de Armeense stad Van in het oosten van het rijk in opstand, toen het Ottomaanse leger opeens eiste dat de stad 4.000 soldaten moest leveren. De inwoners van Van vreesden dat deze mannen zouden worden vermoord en dat de stad daarna weerloos zou zijn. De aarzelende houding werd als rebellie uitgelegd en Turkse troepen belegerden Van. De opstand vormde voor de drie pasja’s het excuus om hun genocidale plannen uit te voeren. Alle Armeniërs in het rijk zouden in opstand zijn gekomen en zij moesten daarom worden gedeporteerd naar andere gebieden, zodat de orde zou kunnen worden hersteld.

NY_Times_Armenian_genocideOp 24 april werden vooraanstaande Armeense intellectuelen uit de hoofdstad Constantinopel, die helemaal niets met de gebeurtenissen in Van van doen hadden, gedeporteerd om daarna vermoord te worden. De Armeniërs werden op deze manier van hun leiders beroofd, zodat de kans op verzet werd verkleind. Niet veel later, in mei 1915, vonden de deportaties plaats. Armeense mannen werden als eerste uit de dorpen gedeporteerd, om vervolgens meteen vermoord te worden. Daarna werden vrouwen en kinderen gedwongen tot een dodenmars naar de Syrische stad Deir ez-Zor in de woestijn. Onderweg vonden executies en verkrachtingen plaats, terwijl ook velen van de honger en de dorst omkwamen.

Over de massaslachtingen werd in de Engelse en Amerikaanse kranten uitgebreid geschreven. Turkije doet deze berichten tegenwoordig af als anti-Turkse propaganda van de geallieerden, maar de Verenigde Staten waren op dat moment nog neutraal en zouden pas in 1917 de zijde van de geallieerden kiezen. Ook Duitse militairen en diplomaten, bondgenoten van het Ottomaanse Rijk en dus onverdachte bronnen, berichtten uitgebreid over de genocide. De jonge officier Armin T. Wegner maakte stiekem veel foto’s van de slachtingen. De Turken kwamen hier echter achter en stuurden hem het land uit.

Interessant is ook de geschiedenis van de Duitse diplomaat Max Erwin von Scheubner-Richter, de Duitse viceconsul in Erzurum. Hij zond maar liefst vijftien rapporten naar Berlijn over de massaslachtingen in de Ottomaanse provincie Bitlis. Von Scheubner-Richter schreef dat op enkele honderdduizend overlevenden na de Armeniërs ausgerottet waren. Hij beschreef voorts de sluwe methoden die de Turkse troepen gebruikten om de Armeniërs in de val te lokken, het inzetten van misdaadbendes (Koerdische stammen en vrijgelaten criminelen) en noemde de Armeniërs zelfs ‘deze joden van het oosten’. Het doet allemaal erg aan de Holocaust denken, waar de Joden ook een vals gevoel van veiligheid kregen en waar de Oekraïners en de Litouwers voor de Duitsers vaak het vuile werk opknapten.

Het griezelige is dat Von Scheubner-Richter, die als Duitser met Baltische wortels een flinke klap van het Russische antisemitisme had meegekregen, begin jaren twintig een belangrijke medewerker van Adolf Hitler werd en voor Beierse kranten antisemitische artikelen zou schrijven. Zou Adolf Hilter via Von Scheubner-Richter op zijn idee van de Endlösung der Judenfrage zijn gekomen? Helaas zullen we dat nooit weten, want tijdens de mislukte Hitlerputsch in München werd Von Scheubner-Richter toen hij arm in arm met Hitler marcheerde door een politiekogel in het hart geraakt en stierf meteen.

Winston Churchill noemde de Armeense Genocide in zijn vijfdelige geschiedeniswerk over de Eerste Wereldoorlog, The World Crisis (1923-1931), een ‘administratieve Holocaust’. Deze misdaad was volgens hem zonder twijfel gepland en uitgevoerd om politieke redenen, namelijk dat men nu in de gelegenheid was om het Turkse land te zuiveren van een christelijk ras dat de Turkse ambities in de weg stond.

Omdat er nooit een grootschalig proces tegen de bedenkers en daders van de Armeense Genocide is gevoerd heeft de genocide echter nooit dezelfde status kunnen krijgen als de Holocaust van 1941-1945. Alleen enkele ondergeschikte Ottomaanse functionarissen zijn veroordeeld en opgehangen. De Armeense Genocide is door de Ottomaanse en later door de Turkse regering nooit erkend, hoewel een aantal hoge Turkse regeringsfunctionarissen, waaronder de eerste Turkse president Kemal Atatürk, zich (privé) kritisch over de massamoord hebben uitgelaten.

Met de architecten van de genocide, de drie pasja’s, liep het trouwens slecht af. Enver Pasha sneuvelde tegen de bolsjewieken, Talaat Pasha en Djemal Pasha werden vermoord tijdens Operatie Nemesis, een door Armeense overlevenden georganiseerde wraakactie.

Maar waarom weigert Turkije vandaag de dag nog steeds de Armeense Genocide te erkennen?

Turkije is, ook onder het religieuze regime van Erdogan, een zeer nationalistisch land. De Armeense Genocide erkennen, een mea culpa voor vroeger, is een klap in het gezicht van de Turkse trots. Turkije is not amused als andere landen de Armeense Genocide erkennen en probeert via diplomatieke en andere kanalen zulks te verhinderen. George W. Bush beloofde in 2000 als presidentskandidaat dat de Armeense Genocide zou worden erkend, maar toen hij eenmaal president was durfde hij het woord genocide niet meer in de mond te nemen om NAVO-bondgenoot Turkije niet voor het hoofd te stoten. Politiek won het van de waarheid. Niet goed, maar zo werkt politiek soms. Kwalijker was de beslissing van het Londense Imperial War Museum in 2000 om foto’s over de Armeense Genocide te verwijderen in reactie op Turkse kritiek. Helemaal pijnlijk werd het toen dit museum een jaar later tijdens de tentoonstelling Crimes against humanity een afdeling gewijd had aan de Turkse versie van het verhaal, compleet met foto’s van moslims die waren vermoord door Armeniërs.

Turkije bedient zich in de propagandaoorlog tegen de erkenning van de Armeense Genocide van geraffineerde leugens, die poetinesk aandoen. Het lijkt sympathiek en toen ik nog voor de linkse opiniesite Joop schreef was ik redelijk gevoelig voor deze leugens, maar ik ben inmiddels wijzer geworden. Zoals Rusland nu met allemaal valse twijfelberichten probeert de ware toedracht van vlucht MH17 te verhullen, zo stelt de omstreden en door Turkije betaalde historicus Justin McCarthy dat er ook veel moslims werden vermoord door de Armeniërs. McCarthy heeft niet helemaal ongelijk, er werden helaas ook moslims vermoord, maar natuurlijk niet op die schaal en ook niet systematisch.

Een ander punt van McCarthy, ook lastig om te counteren, is dat er geen bewijs is van een vooropgezet plan om de Armeniërs te vermoorden. Het klopt dat er geen Turkse Wannsee-conferentie heeft plaatsgevonden, maar het perfect uitgewerkte beleid, waar buitenlandse getuigen uitgebreid over hebben geschreven, wijst duidelijk naar een doelbewuste uitroeiingspolitiek. McCarthy is ten slotte terecht tegen een verbod op het ontkennen van de Armeense Genocide, dingen verbieden is immers in strijd met een vrij wetenschappelijk debat, maar ‘vergeet’ gemakshalve even dat Turkije het erkennen van de Armeense Genocide verbiedt en de Turkse politieke bemoeienis met dit onderwerp een vrij wetenschappelijk debat onmogelijk maakt.

En wat nu?

De betrekkingen tussen Turkije en Armenië en tussen de Turken en de Armeniërs verlopen nog steeds erg moeizaam. De grens tussen beide landen is gesloten. Armenië is natuurlijk nog steeds boos omdat Turkije de Armeense Genocide niet erkent, Turkije is boos omdat Armenië illegaal Nagorno-Karabakh bezet, een Armeense enclave in Azerbeidjaan. Armeense lobbygroepen proberen via politieke druk de Armeense genocide erkend te zien, Turkije reageert hier als een wesp gestoken op.

In 2015 wordt de propagandastrijd extra hevig gevoerd, omdat het nu 100 jaar geleden is dat de Armeense Genocide plaatsvond. Armenië stuurt voor het Eurosong Festival het lied Don’t deny in, een oproep aan Turkije om niet langer de genocide te ontkennen. Turkije doet dit jaar niet mee aan het songfestival, maar dat Armenië van de Turken anders zero points zou hebben gekregen hoeft natuurlijk geen betoog.

Om de honderdjarige herdenking van de Armeense Genocide op 24 april 2015 een hak te zetten organiseert Turkije de herdenking van de Slag bij Gallipoli dit jaar ook op exact diezelfde datum. Turkije heeft een heleboel buitenlandse gasten uitgenodigd, onder andere de Armeense president. Turkije beledigt met dit vuile politieke spelletje niet alleen de Armeniërs maar ook de Ottomaanse soldaten die hun vaderland verdedigden tegen de Australisch-Nieuw-Zeelandse invasiemacht. Kemal Atatürk, de held van Gallipoli, draait zich om in zijn graf.

Verzoening kan pas ontstaan na erkenning. Zolang Turkije de Armeense Genocide niet erkent is het logisch dat Armenië boos blijft, hoe fel en onverzoenlijk sommige Armeniërs misschien kunnen zijn. Voorlopig ziet het er echter niet naar uit dat die erkenning er komt. Turkije ontwikkelt zich in een rap tempo naar een religieuze dictatuur die zich spiegelt aan het roemrijke Ottomaanse verleden. In dat mythische zelfbeeld past erkenning van de Armeense Genocide uiteraard niet.

Maar Turkije is natuurlijk meer dan alleen de Turkse regering. Individuele Turken, denk bijvoorbeeld aan de beroemde schrijver en Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk en de Nederlandse documentairemaker Sinan Can, maar er zijn ook vele anderen, hebben de waarheid van 100 jaar geleden onder ogen willen zien. Vorig jaar is er bovendien een petitie gestart door Nederlandse Turken die de Armeense Genocide erkennen. Bij gebrek aan een officiële erkenning moeten de Armeniërs het hier maar mee doen, maar de petitieactie laat in ieder geval duidelijk zien dat er nog een beetje hoop is.

Een beetje hoop is nodig in deze tijden. De Syrische stad Deir ez-Zor, het eindpunt van de Armeense dodenmarsen, ligt tegenwoordig diep in ISIS-land. In september 2014 verwoestte ISIS de Armeense kerk in deze stad die was gebouwd ter nagedachtenis voor de slachtoffers van de Armeense Genocide. Als je zelf druk met een genocide op de Yazidi´s en de Assyriërs bezig bent dan gaat een monument voor de slachtoffers van een andere genocide na verloop van tijd misschien toch echt op je geweten werken.

 

Afbeeldingen: Wikimedia / Wikipedia Commons