De Democratische partij nomineerde Barack Obama in 2008 om Amerika uit het moeras te trekken waarin het was beland door het mislukte Irak-avontuur van George W. Bush. Ze wilden verder dat de opbrengsten van de een kwart eeuw oude economische groeiperiode, die ze op het conto van Bill Clinton schreven, eerlijker werden verdeeld. De val van Lehman Brothers aan de vooravond van de verkiezingen veranderde alles. Het maakte zichtbaar dat van werkelijke groei nooit sprake was geweest, alleen van een multibiljoen-dollar onroerend goed bacchanaal in gang gezet door wetsvoorstellen van Clinton en Bush die huiseigendom ook voor de minstbedeelden betaalbaar moesten maken. Het liet ook zien hoe snel historici hun oordeel over presidenten kunnen bijstellen: Clinton ging van bovengemiddeld naar middelmatig president, Bush van middelmatig naar waardeloos.

Schade
Obama zou wel eens de meest betekenisvolle van de drie babyboom-presidenten kunnen blijken. Hij bouwde voort op bepaalde delen van de Bush agenda – reddingsoperaties voor de autoindustrie, internetsurveillance en drone-aanvallen – en ruimde de gevolgen van andere onderdelen van de Bush-agenda op. We zullen pas op termijn merken of de forse begrotingstekorten die hij creëerde om een huidige depressie te vermijden een toekomstige depressie onvermijdelijk maakten. En of het afbouwen van “humanitaire interventies” het land veiliger hebben gemaakt. Op dit moment lijken beide belangrijke verdiensten. Toch is er een reden waarom hij in grote delen van het land in peilingen tot Nixoniaanse diepten is gedaald. Zelfs zijn meest succesvolle beleidsvoorstellen brachten schade toe aan onze instituties, met als gevolg dat het land nu minder verenigd, democratisch en vrij is.

Hervorming van het gezondheidszorgstelsel en het homohuwelijk worden wel de kern van Obama’s politieke erfenis genoemd. Dat is een vergissing. Beleidsvoorstellen vormen niet altijd onderdeel van de politieke erfenis van een president en er zijn goede redenen om te gelovem dat dat bij deze voorstellen ook niet het geval zal zijn. Hoe meer mensen uitvinden over Obamacare, des te minder ze het steunen – de populariteit van die wetgeving daalt nog steeds, tot een nieuw diepterecord van 37 procent in november.  Dertig staten hebben het homohuwelijk in de ban gedaan. Waar het wel bestaat, is dat vooral dankzij de rechterlijke macht.

Middelen, niet doelen
Dit zijn typische Obama-verdiensten: overwinningen op tactisch niveau, geen gevolgen van zorgvuldige consensusbouw. Obamacare kwam er dankzij voorbeelden van politieke deals (de “Cornhusker kickback”, de “Louisiana Purchase” etc) die nu al legendarisch zijn op Capitol Hill, dankzij boekhoudkundige en parlementaire manoeuvres die het wetsvoorstel onkwetsbaar maakten voor filibusters en dankzij een stemming waarin uitsluitend zijn eigen partij het voorstel steunde. Dat kan je normale politieke koehandel noemen, maar de Medicare-wetgeving van president Johnson kwam niet zo tot stand. Invoering van het homohuwelijk gaat gepaard met Culturele Revolutie-achtige karakteraanvallen op tegenstanders (Phil Robertson van het televisieprogramma Duck Dynasty en Mozilla-oprichter Brendan Eich). Ook dat kan je onderdeel van het normale politieke proces noemen, maar de Civil Rights Act uit 1964 kwam niet zo tot stand.

Obama’s politieke erfenis is er een van middelen, niet doelen. Hij heeft de fundamenten gelegd voor een nieuwe politieke orde, een die minder verantwoording verschuldigd is aan de kiezer. Hij vertraagde zonder instemming van het Congres de inwerkingstelling van het verplichting voor bedrijven met meer dan 50 werknemers om verzekeringen voor hun werknemers af te sluiten en besloot per decreet de status van illegale immigranten te regelen – geen toepassing van oude parlementaire trucjes maar gevaarlijke constitutionele vernieuwingen. Na de verpletterende nederlaag tijdens de midtermverkiezingen van afgelopen najaar claimde hij vooral “de boodschap te hebben gehoord” van het tweederde deel van het electoraat dat niet ging stemmen (vermoedelijk dat hij namens hen mocht spreken). En hij heeft een partnerschap gevormd met de rijke klasse in het land – niet de veelverdienende professionals die worden verketterd in populistische retoriek (waaronder die van hem) maar de werkelijk bestaande plutocratie van Silicon Valley en Wall Street.

Plutocratie en etnische polarisatie
Al ruim een generatie heeft privaat kapitaal een te grote invloed op de wetgevende macht (het politiek proces). Obama’s vernieuwing is om privaat kapitaal ook invloed te geven op de uitvoerende macht. Hij is (ongetwijfeld met hulp van anderen) begonnen om het presidentschap te bevrijden van Congressionele begrotingscontrole. In 2013 betaalde JP Morgan Chase, een van de belangrijkste financiers in de beginperiode van Obama’s presidentscampagne, het Ministerie van Justitie een boete van $20 miljard (opgelegd zonder enige juridische aanklacht), geld dat het Witte Huis vervolgens voor eigen doeleinden mocht inzetten. Federale stimuleringsfondsen werden ingezet om staten aan te moedigen het aan Bill Gates’ onderwijsprogramma ‘Common Core’ ontleende curriculum te implementeren. Het ‘Young Men’s Initiative’ van biljonair-politicus Michael Bloomberg, een programma gericht op aanpakken van achterstelling van zwarte en Latino jonge mannen, is vrijwel volledig geadopteerd door het Witte Huis.

Onder Amerika’s eerste zwarte president zijn raciale verhoudingen eerder verslechterd dan verbeterd. Soms opereerde hij onhandig – hij viel een politieagent aan die zijn vriend Henry Louis Gates had gearresteerd, zonder te weten dat de agent in kwestie een expert was op het gebied van etnisch profileren als politiemethode. Soms had hij gewoon pech – hij noemde de woede over de besluit om de politieagent Darren Wilson niet te vervolgen terwijl op een ander scherm beelden werden getoond van relschoppers die de stad Ferguson in Missouri afbrandden. Soms gebruikten zijn ministers ronduit etnocentrische retoriek – Minister van Justitie Eric Holder die het had over “mijn volk”. De optelsom was een groeiende kloof tussen het Witte Huis en Obama gunstiggezinde blanke kiezers. Mitt Romney won in 2012 60 procent van de blanke stem. Exit polls uit 2014 laten zien dat dit eerder een ondergrens dan een bovengrens was. Obama zou de geschiedenis in kunnen gaan als een Democratisch equivalent van de Republikeinse gouverneur van Californië Pete Wilson die in 1994 het anti-immigratievoorstel Proposition 187 steunde: iemand die persoonlijk profiteerde van etnische polarisatie maar die daarmee zijn partij en zijn land ernstige schade toebracht.

Gorbatsjov
Obama’s reputatie zal iets gemeenschappelijk hebben met die van de laatste leider van de Sovjet Unie, Michaïl Gorbatsjov. Die geloofde dat geschiedenis en technologie zich in een bepaalde richting ontwikkelden en dat het zijn opdracht was zijn land daaraan aan te passen, hoe onlogisch en ongewenst dat ook overkwam op zijn landgenoten. Net als Gorbatsjov zal Obama over een generatie in bepaalde kringen worden bewonderd. Maar het zullen vermoedelijk eerder buitenlanders dan eigen burgers zijn die hem bewonderen. En dan vooral vijanden van zijn land, niet vrienden.

Christopher Caldwell is redacteur bij het Amerikaanse weekblad The Weekly Standard.

*Dit artikel verscheen op 12 januari in New York Magazine. Het is hier afgedrukt met toestemming van de auteur.