Op 1 mei 2004 werd de Europese Unie in een klap uitgebreid met 12 nieuwe lidstaten. Het was een besluit dat als historisch noodzakelijk werd gezien, al was het niet zonder problemen. Er was in de eerste plaats twijfel over de vraag of de voormalige Oostbloklanden economisch wel klaar waren voor lidmaatschap van een Unie waar het gemiddeld inkomen per hoofd van de bevolking aanzienlijk hoger lag. Zouden westerse bedrijven niet naar het oosten komen om daar alles op te kopen – bedrijven, huizen, hele dorpen zelfs? Omgekeerd zouden de hogere levensstandaarden ook als een magneet kunnen werken voor de armere Oost-Europeanen. Om die reden bedongen veel oude lidtstaten een transitieperiode waarin het gewone vrije verkeer van werknemers niet zou gelden voor de nieuwe lidstaten.

Bezorgdheid was er ook over corruptieproblemen in sommige lidstaten. Landen als Roemenie en Bulgarije werden daarbij als belangrijkste zorgenkindjes gezien. Dit was, behalve voor de handhaving van minimale standaarden van behoorlijk bestuur, ook belangrijk omdat er twijfel bestond over de vraag of deze beoogde lidstaten wel in staat zouden zijn naleving van de bestaande Europese regelgeving te garanderen. Door de open binnengrenzen zouden bijvoorbeeld handhavingsproblemen bij het voorkomen van parallelle imports een belangrijke uitdaging kunnen vormen. En niet alleen import van goederen. Mensensmokkel via deze, mede de buitengrens van de Unie vormende lidstaten, zou ook een probleem kunnen gaan vormen.

Toch was men het er in de oude lidstaten over eens dat het besluit juist was. Vanaf het begin van de oprichting van de EEG gold immers als ultieme ambitie dat het project ooit het hele Europese continent moest omspannen. Zuid en Noord-Europa waren in eerdere uitbreidingsronden al toegetreden. Het was dus onvermijdelijk dat ook Oost-Europa erbij zou komen – een variatie op het idee van ‘manifest destiny’ dat in de negentiende eeuw de geleidelijke uitbreiding van de Verenigde Staten voortdreef.

West en Noord-Europa waren ook bereid bepaalde economische kosten van eenwording te dragen. Niet onbeperkt – er kwam geen Marshall Hulp achtig programma van massale investeringen en kredieten. De hulp bleef beperkt tot een herschikking van de bestaande begroting. Overigens leidde zelfs deze herschikking al tot boosheid bij Zuid-Europese lidstaten die de bijdragen uit de Structuur & Cohesiefondsen nog goed konden gebruiken – en van Frankrijk, dat niet graag zag dat de eigen claim op landbouwsubsidies moest worden afgebouwd.

Goedkoop bleek in dit geval achteraf duurkoop. Er waren uiteraard grenzen aan de absorptiecapaciteit van de Oost-Europese economieen, maar door niet te investeren in hun economische groei werd het proces van economische eenwording aanzienlijk vertraagd. Dat leidde bij Oost-Europese kiezers weer tot frustratie, frustratie die mede heeft geleid tot de opkomst van ‘post-liberaaldemocratische’ (lees: pseudo-fascistische) partijen.

Het gebrek aan uitzicht op een snelle verbetering van de leefomstandigheden zette veel jonge Oost-Europeanen ook aan tot een trek naar West-Europa. De omvang van deze migratie moet ook niet worden overdreven – het hoogste percentage interne EU-migratie is ongeveer 7% (Polen), duidelijk meer dan dat van Nederland (3,5%) maar niet overweldigend meer. Maar omdat de stroom Oost-Europese migranten niet gelijk werd verdeeld over de hele Unie, werd deze migratie in landen als het Verenigd Koninkrijk en Nederland onvermijdelijk een politiek thema – uitgebuit door extreemrechtse partijen die er een nieuwe stok in zagen om de EU mee te slaan. Per saldo is deze migratie duidelijk een netto plus geweest voor de Unie, zowel voor Oost als West – en vooral ook voor deze migranten zelf. Maar bij snellere economisch groei in Oost zou dit vermoedelijk minder snel een thema zijn geworden.

Het is overigens hoopvol dat veel Oost-Europese economieen inmiddels in een aanhoudende groeispurt zijn beland, met groeicijfers van 4 tot 5 procent per jaar. De werkgelegenheid groeit mee, zodat veel van deze landen nu met volledige werkgelegenheid kampen. Het heeft ervoor gezorgd dat emigratie met stip is gestegen als belangrijkste maatschappelijke probleem – daarmee de druk op in het Westen wonende migranten vergrotend om terug te keren naar hun thuislanden. Het is niet ondenkbaar dat bij ongewijzigde trend over vijftien jaar de Oost-Europese interne EU-migratiecijfers dalen naar het Europes gemiddelde, omdat migratie dan niet langer wordt gedreven door duidelijke verschillen in levensstandaarden.

Op termijn zal de uitbreiding in economische zin dus een succesverhaal kunnen worden. Of dat politiek ook geldt, is een open vraag. Voor de dagelijkse besluitvorming is de uitbreiding van 12 naar 27 geen probleem gebleken – in crisissituaties is de EU opvallend besluitvaardig gebleken. Maar de opkomst van extreemrechts heeft de democratie in zowel Oost als West aanzienlijk belast, en het valt niet meteen te zien hoe die erfenis in de komende vijftien jaar kan worden overstegen.