De politiek van pappen en nathouden in Irak en het wedden op een niet bestaand paard in Syrië verlengt de burgeroorlogen in die twee landen alleen maar.

In het Vietnam-epos ‘Platoon’ klaagt sergeant Bob Barnes over de politici in Washington, die het leger dwingen strijd te leveren “with one hand tied around their balls”. De politiek die zich bemoeit met de manier waarop oorlog wordt gevoerd en militairen die daarover hun gal spuwen – er lijkt weinig veranderd sinds Vietnam. Er zijn legio voorbeelden:  van Hitler die de campagne in Rusland op bataljonsniveau micromanagede tot de Tweede Kamer die de Nederlandse UNPROFOR-macht in Srebrenica verbood zware wapens mee te nemen.

Ook in de strijd tegen de Islamitische Staat hebben de regeringen in de Westerse hoofdsteden zoveel randvoorwaarden gesteld, dat deze nauwelijks serieus kan worden genomen. De twee voornaamste: geen “boots on the ground” en de regering van president Bashar al-Assad in Damascus mag niet profiteren van de bombardementen op de IS-terroristen. Beide voorwaarden zijn van politieke aard en frustreren de militairen die zijn opgedragen de strijd te voeren.

Geen troepen op de grond betekent dat de Amerikaanse (en geallieerde Westerse en Arabische) piloten veel minder doelen hebben om aan te vallen . De jachtbommenwerpers zijn afhankelijk van inlichtingen via satellieten, onbemande vliegtuigen (drones), lokale strijders en ouderwets geluk. Geen van deze methodes van informatievoorziening vormen een realistisch alternatief voor Westerse militairen die de vijand zien, de piloten naar hun doelen leiden en de plaats waar de bommen vallen “in real time” kunnen corrigeren. Amerikaanse piloten klagen over het gebrek aan doelen tijdens hun vluchten.

IS nog steeds in het offensief

Zelfs als de geruchten waar zijn dat er al maanden Westerse commando’s aan en achter de frontlijn met IS opereren, zijn dit er veel te weinig om het verschil te maken. Het verklaart het extreem lage aantal luchtaanvallen van de coalitie op IS-doelen. De gehavende Syrische luchtmacht (SyAAF) van Assad voert er dagelijks meer op de Islamitische Staat uit dan de ultramoderne Westerse en Arabische luchtvloot. De naar schatting 1000 door de geallieerden gedode IS-strijders zijn ruimschoots goedgemaakt door nieuwe rekruten uit de hele wereld, wat blijkt uit het feit dat de coalitie – behalve in het dunbevolkte gebied rond Mount Sinjar in Noord-Irak – nergens de Islamitische Staat serieus heeft kunnen terugdringen. Na maanden van Amerikaanse luchtaanvallen is IS op de meeste plaatsen nog steeds in het offensief.

Het is begrijpelijk dat president Obama zich niet wil storten in een nieuwe landoorlog in Irak, bovendien heeft dat land met zijn sjiitische meerderheid en Koerdische minderheid op termijn genoeg potentiële strijders om de jihadisten terug te rollen. In Syrië ligt de situatie heel anders. De Koerden vormen daar een te kleine groep om het IS serieus lastig te maken en Westerse politici houden nog steeds bij hoog en bij laag vol dat de uitkomst van de burgeroorlog moet zijn dat president Assad het veld ruimt. De hiervoor aangevoerde reden – Assad is een dictator die met de keiharde onderdrukking van de opstand tegen zijn regime verantwoordelijk is voor de opkomst van de jihadi’s – lijkt logisch en moreel, al krijg je de indruk dat het bij Obama, Cameron en Hollande meer om het vermijden van gezichtsverlies gaat dan om het lot van het Syrische volk (waarvan zij zich ruim drie jaar lang niets hebben aangetrokken).

Je kunt de vijand niet verslaan met “one hand tied around your balls”. Als Obama, als het Westen serieus werk wil maken van het verslaan van de Islamitische Staat, zullen moeilijke keuzes moeten worden gemaakt.

Dus houdt men in Washington, London en Parijs vast aan een fictie die nog slechts in de hoofden van de politici in die steden bestaat: de “gematigde” rebellen van het Vrije Syrische leger. Het FSA, de pioniers van de gewapende opstand tegen Assad, heeft het afgelopen jaar vernietigende klappen te verduren gekregen van alle andere partijen: het regeringsleger, de Islamitische Staat en recent het Nusrafront (Al Qaida’s officiële militie in Syrië). Steeds vaker geven de resterende FSA-milities de strijd  – en daarmee hun moderne Amerikaanse wapens – op tegen hun jihadistische collega’s of zweren zelfs trouw (bay’ah) aan Abubakr al-Baghdadi, de “kalief” van de Islamitische Staat.

Inmiddels is het FSA is alleen nog in het uiterste zuiden (bij de Golan-hoogvlakte en rond de stad Daraa) een factor van betekenis, op alle andere fronten is het volledig overvleugeld door de islamisten. Toch blijven de Amerikanen – ingefluisterd door Erdogan en de Saudi’s die mordicus tegen een deal met Assad zijn – hun geld (letterlijk) zetten op het trainen en bewapenen van FSA-bataljons. Duizend strijders hier, een paar duizend daar… het zal om drie redenen geen effect hebben. Ten eerste omdat IS inmiddels zijn troepensterkte niet meer in duizenden, maar in tienduizenden telt (schattingen lopen uiteen, maar de meeste experts gaan uit van tenminste 100.000 jihadi’s van de Islamistische Staat alleen).

Met open armen

Ten tweede is IS nauwelijks actief in het zuiden van Syrië, zoals gezegd de enige plaats waar de ‘gematigde’ rebellen nog iets in de melk te brokkelen hebben. Als de door de Amerikanen in Jordanië en Saoedi-Arabië (je vraagt je af wat voor politiek-religieuze indoctrinatie deze strijders zullen krijgen) getrainde opstandelingen in het zuiden van Syrië over de grens worden gezet, moeten zij zich eerst een paar honderd kilometer door Assads linies vechten voor zij de eerste frontlijn met de Islamitische Staat tegenkomen. En ten derde willen de meeste FSA-milities helemaal niet de strijd met IS aangaan. Op dit moment wordt er praktisch nergens gevochten tussen de resten van het Vrije Syrische Leger en de extremisten van de Islamitische Staat. Aan het Qalamounfront (het grensgebergte met Libanon) wordt zelfs met hen samengewerkt! Vergeet niet dat het FSA de buitenlandse IS-vrijwilligers twee jaar geleden met open armen binnenhaalde. En die strijdmacht moet nu opeens het speerpunt in de oorlog tegen IS worden?

Naast de Koerden in het noorden van Syrië is het regeringsleger (SAA) van Assad de enige troepenmacht die op dit moment slag levert met de Islamitische Staat. In Qamishli en Hasaka, in Qalamoun, in Deir ez-Zor, in de oostelijke woestijn van Homs en met dagelijkse bombardementen op IS-bastions in Raqqa en Al-Bab. In Aleppo, Idlib en oostelijk van Damascus is het SAA ook nog eens in felle strijd verwikkeld met het Nusrafront en meer Syrisch georiënteerde jihadistenmilities als Ahrar al-Sham en Jaish al-Islam. Deze groepen zijn weliswaar niet de Islamitische Staat, maar zij zijn slechts een grijstintje minder extremistisch. Toch weigert het Westen vooralsnog de kant te kiezen van Assad in de strijd tegen de islamisten.

Je kunt de vijand niet verslaan met “one hand tied around your balls”. Als het Westen serieus werk wil maken van het verslaan van de Islamitische Staat, zullen pijnlijke keuzes moeten worden gemaakt. Concreet: massaal grondtroepen sturen of Assads regeringsleger steunen in de strijd tegen de jihadi’s. Soms moeten politici durven kiezen uit twee kwaden en dan is de keuze voor de “duivel die je kent” bijna altijd de meest verstandige. Zie Gadaffi’s Libië, zie Sadam Hoesseins Irak en zie dus ook Assad. Willen wij dat niet, kunnen we maar beter een groot hek om Irak en Syrië bouwen en er tegen beter weten in het beste van hopen. Want de huidige politiek van pappen en nathouden, van een bombardementje hier en een wapenleverantietje daar, heeft slecht één effect: het verder verlengen van een oorlog die al bijna vier jaar voortwoekert, aan meer dan 200.000 Syriërs het leven heeft gekost en er naar schatting 8 miljoen op de vlucht heeft doen slaan.