Samen met studiemaat Theo reis ik al een paar weken door Turkije. In weer een nieuwe stad staan we voor een loket van de Ziraat Bankasi om verse lira’s te verkrijgen. Het is 1989 en er zijn geen pinautomaten.

Dit gaat even duren. Paspoort en travelers cheque worden grondig bestudeerd door de kassier. Vervolgens geeft hij ze door naar achteren. Een tweede en nog een derde functionaris gaan met dodelijke ernst aan de slag met stempels en vellen carbon papier. De kassier glimlacht verontschuldigend. Ik haal mijn schouders op. Hij biedt ons een sigaret aan. Theo slaat af en ik accepteer. Na een tweede sigaret komen de papieren weer terug bij de balie. Nog een finale inspectie en de kassier telt het geld uit. Zie je wel, alles komt goed zegt hij in het Turks. Wij bedanken hem en lopen naar het Ulusan hotel aan de rand van de bazaar van Konya.

’s Avonds in een park lopen we de kassier weer tegen het lijf. Toeval bestaat. Hij spreekt nog steeds enkel Turks. Maar gebarentaal is universeel. We lopen met hem mee. Een kwartiertje later zitten we bij hem thuis en maken kennis met de familie. Remzi en Kâbra hebben drie dochters, Canan, Handan en Nalân, en een zoon genaamd Can. De thee staat snel klaar en wij moeten grote hoeveelheden wanstaltig zoet gebak tot ons nemen. Theo speelt schaak tegen Can en verliest jammerlijk. Alleen Nalân spreekt Engels en vertaalt alle gestelde vragen en onze antwoorden. Omdat wij zeggen dat Konya ons volledig onbekend is biedt ze na ruggespraak met pa aan ons morgen wat van de stad te laten zien. Wij danken de familie voor de gastvrijheid en lopen verwonderd terug naar het hotel. Konya staat bekend als één van de meest conservatieve steden van het land. Het Staphorst van Turkije. Streng gelovig. En wij mogen zomaar op stap met Nalân. Remzi is een verlicht man.

Mevlâna

Klokslag negen staat Nalân voor de deur van onze hotelkamer. Ook buitenshuis ongesluierd, zelfs geen hoofddoek. Ze is nog mooier dan gisteravond. Na een ontbijt gaan we op pad. Eerste programmaonderdeel is het Karatay museum. Dan door naar de turquoise koepel die het stadsbeeld van Konya bepaalt. Hier is de tombe van de mysticus Mevlâna. In zijn interpretatie van de Islam bereikt de mens eenheid met Allah door zichzelf te verliezen in de dans. Op de klanken van de ney fluit. Mevlâna’s sarcofaag ligt recht onder de punt van de koepel. Het schrille geluid van de ney vult de ruimte. Een melodie zonder begin of eind. In opperste devotie staan pelgrims voor de tombes van Mevlâna en zijn metgezellen.

Een dolmus brengt ons naar de Meram, een aan de rand van de stad gelegen park. We picknicken met thee, koek en appels. Nalân vertrouwt ons toe nooit te zullen trouwen. Ze gelooft in vriendschap maar niet in eeuwige liefde voor een man. Ze gelooft wel in Goddelijke liefde. Anders dan haar moderne uiterlijk doet vermoeden is Nalân diep gelovig. Daarnaast is ze vandaag jarig en net twintig geworden. Ze zegt dat ze daarom helaas terug naar huis moet om nog bezoek te ontvangen. Wij zijn geschokt. Je verjaardag opofferen aan een paar wildvreemde gasten. Ongelovigen bovendien. Wij vragen of we haar vanavond mee uit eten mogen nemen. Een indirect antwoord maakt duidelijk dat ze dit niet zomaar kan toezeggen. Ik bel vanavond nog wel om te vragen of het goed is en we nemen afscheid.

Oorbellen en rozen

We doorkruisen de bazaar op zoek naar een cadeau voor Nalân. Bij de juwelier waar we ons laten voorlichten over de smaak van een twintigjarige Turkse wordt ons verhaal met ongeloof aangehoord. Met een paar mooie zilveren hangers verlaten we de zaak. Lastiger dan de oorbellen is het vinden van een bos bloemen voor moeder. En de kwaliteit is bij de ene bloemist die we vinden ook niet geweldig. Met behulp van de ‘wat en hoe gids’ improviseer ik een bedankkaartje en steek het tussen de nu al bijna verwelkte rozen. En dan is het zeven uur en draai ik Remzi’s nummer. Nalân zelf neemt op. Alles is in orde. Een uur later komt ze ons weer ophalen. Deze keer is ze niet alleen. Grote zus en een vriendin komen mee als chaperonne. We gaan naar de dancing garden, een ontmoetingsplek voor de lokale jeugd. Een nasale klanken uitstotende zanger begeleidt zichzelf op een galmend elektronisch orgel. Er wordt gedanst. En natuurlijk gegeten en gedronken. Er is zelfs bier. Aan het eind van de avond brengen we onze vrouwen netjes thuis. Uitgezwaaid door de familie lopen we terug naar het hotel.

Religie van de vrede

Onze bus naar Ankara gaat al om half tien. Maar eerst moeten we nog bloemen bezorgen. Van ons plan om ze stiekem voor de deur van Remzi’s appartement te zetten komt niets terecht. Als we met de taksi de straat inrijden zien we Remzi net naar buiten stappen. Op weg naar het busstation om ons een goede reis te wensen, zo begrijpen we. We gaan weer mee naar boven. De taksi blijft nog wel even wachten. We schuiven aan achter in grote haast geprepareerd ontbijt. Het is moeilijk om weg te komen en eigenlijk willen we blijven. Maar de bus wacht niet. Remzi rijdt met ons mee naar de otogar. We schudden handen voor de laatste keer. Hij wenst ons een gezegende reis.

Vandaag is de ‘religie van de vrede’ het meest besproken geloof ter wereld. Helaas zijn niet alle gelovigen als Mevlâna. En zijn niet alle vaders als Remzi. De gewelddaden die in naam van Allah en zijn profeet worden gepleegd zijn niet te bevatten. Maar ik wil niet vergeten dat er ook een andere kant is. En als ik dat soms bijna wel doe dan reis ik in gedachten terug naar Konya.