Daar was-ie weer, afgelopen dinsdag: de jaarlijkse State of the Union-toespraak. De Amerikaanse grondwet gebiedt de president om “van tijd to tijd” het Congres informatie te geven over de toestand van de Unie, en om maatregelen aan te bevelen die hem nuttig en noodzakelijk lijken. De eerste twee presidenten, George Washington en John Adams, deden dat in levende lijve; toen was ’t een eeuw lang briefverkeer, maar sinds Woodrow Wilson sjokt de president weer naar het Capitool om daar de leden van het Huis van Afgevaardigen en de Senaat toe te spreken. Dinsdag mocht president Obama dat doen, voor de zesde keer. En voor de zesde keer beloofde hij Guantánamo Bay te sluiten. Maar hij had meer te vertellen!

Allereerst het relatief goede nieuws: de economische staat van de Unie. “The State of the Union is strong”, zo verklaarde Obama voor de eerste keer in zijn presidentschap, en dat is tot op zekere hoogte waar. Amerika is langzaam maar de zeker de gevolgen van de financiële crisis te boven aan het komen. De werkloosheid ligt voor het eerst in zes jaar onder de 6%, het begrotingstekort onder de 3%, en vergeleken met Europa en Japan groeit de Amerikaanse economie als een tierelier. De energiesector doet het vooral bijzonder goed; en ondanks dat Obama de afgelopen jaren als een malle geprobeerd heeft die sector te ondermijnen, claimde hij vrij aggressief krediet voor de lage benzineprijzen (net boven de 50 dollarcent per liter) en de schaliegasrevolutie. De lonen zijn nog steeds maar amper op het niveau van voor de crisis, maar dat laten we maar even achterwege.

(Nu klinkt dit allemaal wat abstract, en dat vonden Obama’s speechschrijvers ook, dus vertelde hij het verhaal van Rebekah en Ben, de Minnesotaanse Henk en Ingrid. Het gaat een stuk beter met ze dan zes jaar geleden, kan ik je verklappen.)

Dat was het prettige deel van de toespraak. De rest – de andere twee derden – was zelfs voor een campagnetoespraak wat plat.

Obama was uitgesproken positief over de resultaten van zijn buitenlands beleid: een bij vlagen volstrekt misplaatst optimisme. Het bewind van de Islamitische Staat is ondanks enig Amerikaans ingrijpen nog steeds de dagelijkse realiteit voor miljoenen mensen in het hart van het Midden Oosten en vereist inmiddels een formele oorlogsauthorisatie. Zijn beslissing om Amerikaanse troepen terug te trekken uit Afghanistan lijkt de Taliban weer terug in het zadel te brengen. Iran streeft nog steeds kernwapens na. Michelle Obama’s hashtags hebben nog immer Boko Haram niet verslagen. De regering van Jemen lijkt ondanks Amerikaanse steun haar langste tijd gehad te hebben. De Russische annexatie van delen van Oekraïne is inmiddels definitief. Argentinië, Turkije en Venezuela hebben grote problemen en/of steeds meer totalitaire regimes die de dienst uitmaken. Een fors aantal EU-landen ziet hun zo moeizaam verworven politieke stabiliteit steeds meer ontrafelen, terwijl recordwerkloosheid en recessie of zelfs depressie de achtergrond vormen voor de vormende jaren van een volledige generatie Zuid-Europeanen. Vergeleken met al die ontwikkelingen, uitdagingen en problemen vallen de verlokkingen van vrijer beschikbare Cubaanse sigaren in het niet.

Het derde grote onderdeel van Obama’s verhaal was dat van de “aanbevelingen,” en die hadden vooral betrekking op sociaal-economisch beleid. De term die de Democraten bedacht hebben voor hun plannen op dat vlak is “middle class economics”, een nieuw eufemisme voor hogere belastingen en nivellering, verpakt als het tezamen komen van de maatschappij. De nieuwe belastingen die de president voorstelde – zonder ze uitgebreid en expliciet te benoemen, uiteraard – zijn vooral belastingen op kapitaal, tientallen miljarden aan belastingen op kapitaal voor ieder jaar. Dat zijn belastingen die uiteindelijk zullen leiden tot minder groei, en tot minder kapitaalgoederen, wat er op haar beurt weer toe zal leiden dat lonen zullen blijven stagneren. Die nieuwe belastingopbrengsten wil Obama dan vervolgens vooral overhandigen aan zijn achterban: via extra onderwijssubsidies en via aftrekposten voor tweeverdieners, zelfs tweeverdieners die ver bovenmodale inkomens hebben.

(Eén aspect van zijn plan gaat wel de goede kant op: hij wil extra geld uittrekken om de looninkomsten van werkende, arme alleenstaanden zonder kinderen te complementeren, via een uitbreiding de Earned Income Tax Credit. Juist die groep valt vaak buiten het bestaande sociale veiligheidsnet en kan de steun goed gebruiken. Door de steun aan werk te koppelen riskeert het niet de creatie van een permanente onderklasse, of van situaties waarin werken amper loont.)

Gelukkig gaat van deze plannen niets terechtkomen. De Republikeinen hebben sinds de verkiezingen in november een meerderheid in beide kamers van het Congres, en zitten op dit soort belastingverhogingen en potverteren zeker niet te wachten. Waarom dan toch zo’n soort toespraak van Obama? Mijn indruk is dat het doel van dit type tot falen gedoemde beleidsvoorstellen veel meer is om de toon te zetten voor 2016: om inkomensongelijkheid, klassenstrijd, en inkomensherverdeling in het centrum van het publieke debat te houden. En dat is bijzonder cynisch, vooral als je tegelijkertijd claimt te willen werken met de oppositie. Maar met de media aan zijn zijde komt Obama er mee weg; had Bush in 2006 voorgesteld de belastingen drastisch te verlagen, dan was hij door de pers weggelachen.