Het is het buzzword van de afgelopen jaren. Putin maakt zich er schuldig aan, Islamitische Staat evenzeer en jawel, ook Westerse landen zelf zijn er stiekem helemaal niet vies van. Maar wat is precies asymmetrische oorlogsvoering en belangrijker: wat moeten we ermee? In dit tweeluik worden beide vragen beantwoord. Deze week deel 1: wat is asymmetrische oorlogsvoering en wat zijn de belangrijkste gevolgen ervan?


Asymmetrische
 oorlogsvoering: wat is het?
Flauw gezegd zijn alle conflicten asymmetrisch. Immers, wanneer een oorlog een volledig symmetrisch karakter zou hebben, zou er geen enkel verschil bestaan tussen de karakters en sterktes van de strijdende partijen. In tegenstelling tot deze strikte opvatting wordt met de term meestal gedoeld op een gewapende strijd tussen partijen die sterk van elkaar verschillen. De ene partij beschikt over een (min of meer) hoogwaardige, technologisch doorontwikkelde, ‘conventionele’ krijgsmacht (denk aan tanks, jachtvliegtuigen, fregatten en een professioneel getrainde infanterie). De andere partij is niet op dezelfde ‘conventionele’ manier gestructureerd, heeft nauwelijks de beschikking over hetzelfde ‘conventionele’ (maar geavanceerde) wapenarsenaal en functioneert daardoor anders. Ter compensatie maken deze ‘onconventionele’ partijen gebruik van relatief goedkope maar potentieel effectieve methoden, zoals (zelfmoord)aanslagen, bermbommen en hit and run acties. Vaak gaat het om schimmige, losjes (maar goed) georganiseerde strijders of milities die gemakkelijk opgaan in hun omgeving na het uitvoeren van acties. Typische asymmetrische conflicten uit het verleden zijn de communistische opstand tegen de Britten in Maleisië (1948-1960), de Frans-Algerijnse oorlog (1954-1962) de oorlog van de Amerikanen in Vietnam en de conflicten in Irak en Afghanistan van de afgelopen decennia.

Ook de huidige conflicten in Oekraïne en de strijd tegen Islamitische Staat in het Midden-Oosten en Noord-Afrika worden gerekend tot de asymmetrische oorlogen. In Oekraïne is het een openbaar geheim dat Putin Russisch-gezinde separatisten paait. De strijd tegen IS is wat gecompliceerder. Zo is IS zelf uitgegroeid tot een hybride organisatie die bestaat uit enerzijds een netwerk van ontketende guerrillastrijders en anderzijds een semi-staat inclusief elementen van een conventioneel leger (lees: buitgemaakt Amerikaans materieel). Ten tweede omdat ook de alliantie die tegen IS vecht bestaat uit een mengeling van conventionele strijdkrachten – vooral de luchtmachten en Special Forces van de Amerikanen en een aantal Europese en Arabische landen – en rebellengroepen, waaronder ook veel van de Koerdische strijders kunnen worden geschaard. Daarbovenop mengt Iran zich in de strijd, veelal via Sjiitische milities waaronder het Libanese Hezbollah en de Irakese Badr-organisatie, Kataib Hezbollah en Asa’ib Ahl al-Haq.

Kortom, zet de tv aan of ga het internet op en de asymmetrie vliegt je om de oren. Welke gevolgen heeft dat voor westerse landen, waaronder Nederland? Drie belangrijke trends springen eruit.

De toekomst van artikel 5
Rusland lijkt terug van nooit helemaal weggeweest. Dit werpt uitdagingen op voor het NAVO-bondgenootschap, de internationale organisatie die met name is opgericht als alliantie tegen een mogelijke Russische dreiging ten tijde van de Koude Oorlog. Het beleid van Poetin dat tot uiting komt tijdens de crisis op de Krim en het conflict in Oekraïne doet de vraag rijzen in hoeverre het basisbeginsel van de NAVO – een aanval tegen een lidstaat is een aanval tegen allen, vastgelegd in artikel 5, toekomstbestendig is.

Een terechte vraag die met name uitvloeisel is van een veranderende wereld waarin de aard van conflicten mee is veranderd. Waar oorlogen voorheen relatief overzichtelijk waren – staat A die de oorlog verklaart aan staat B – is er met name in de afgelopen decennia een neerwaartse trend te zien in het aantal van deze ‘klassieke’, interstatelijke conflicten. Wat de crisis in Oekraïne, maar ook de schuldvraag omtrent vlucht MH17 lastig maken is het feit dat Moskou gebruik maakt van asymmetrische tactieken. Het conflict tussen Oekraïne en Rusland wordt niet primair openbaar uitgevochten, waar soldaten (gebonden aan het internationaal oorlogsrecht) het opnemen tegen andere soldaten. In plaats daarvan maakt Moskou gebruik van zogenaamde lokale rebellen, door deze uit te rusten met geavanceerde, zware wapens en te voorzien van marginale militaire begeleiding (zogenaamde “ex werknemers” van het Russische leger). Het voordeel hiervan voor Putin en consorten is dat zij een dikke vinger in de strategische regionale pap kunnen houden, zonder het risico te lopen een direct conflict met het Westen te ontsteken. Het risico daarop zou veel groter zijn wanneer Rusland wel openlijk zou steunen.

Een veelgehoord (ramp)scenario gaat over wat het NAVO-bondgenootschap zou (laten te) doen wanneer Rusland dezelfde tactiek zou gaan toepassen in NAVO-lidstaten, zoals Estland of Letland. In hoeverre is het mogelijk artikel 5 toe te passen, zolang niet onomstotelijk is te bewijzen dat het inderdaad Rusland is die, bijvoorbeeld, een opstand van de Russische minderheid ensceneerde. En al zou het onomstotelijk vaststaan, zijn lidstaten dan bereid om gehoor te geven aan het beroep op artikel 5 en zich actief te mengen in een onoverzichtelijk conflict? Zonder die bereidwilligheid is het bondgenootschap ten dode opgeschreven. Een dergelijk scenario gaat namelijk terug tot de raison d’etre van de NAVO, namelijk gezamenlijke bescherming van het NAVO-grondgebied. De niet geheel onbelangrijke vraag is dus in hoeverre de NAVO als organisatie nog adequaat kan en wil anticiperen of reageren op de onoverzichtelijke en onvoorspelbare conflicten van vandaag de dag. Conflicten die, zoals ook de interventies in het Midden-Oosten laten zien, een zwaar asymmetrisch karakter hebben. Bereid de NAVO ons nog altijd voor op een oorlog die nooit komen gaat?

Vermenging binnen- en buitenlandse veiligheid
We zullen er aan moeten wennen: mede door de toename in asymmetrische tactieken en oorlogsvoering is de grens tussen binnen- en buitenlandse veiligheid steeds meer aan het vervagen. Anders gezegd hebben oorlogen die we met onze expeditionaire krijgsmacht ver van huis voeren in toenemende mate hun weerslag binnen de eigen grenzen. Zo zijn terroristische aanslagen op Europees grondgebied, gepleegd door bijvoorbeeld Al-Qaeda of Islamtische Staat, te zien als een slag binnen het grotere conflict waarin we sinds 2002 verwikkeld zijn. Een conflict waarin ook burgers met een Nederlands paspoort zich mengen door zich in enkele honderdtallen aan te sluiten bij Jihadistische groeperingen, beter bekend als het fenomeen van de ‘foreign fighters‘. Een conflict ook, waarin diezelfde personen kunnen terugkeren en een binnenlandse veiligheidsdreiging gaan vormen.

Als wordt gekeken naar het aantal terroristische aanslagen op Europees grondgebied, valt het op dat deze gestaag daalt: een Europese burger had meer kans om door een terroristische aanslag om het leven te komen in de jaren ’70 (toen de Rode en Zwarte Brigades, de ETA en IRA vol op de terroristische trom sloegen) dan anno 2015. Tegelijkertijd wordt het dreigingsniveau hoger ingeschat en sterker gevoeld, juist doordat buitenlandse ontwikkelingen steeds meer hun weerslag hebben op de (gevoelde) binnenlandse veiligheid.

Deze ontwikkeling is goed verklaarbaar: een terroristische aanslag is bedoeld om een politiek doel te bewerkstelligen en door te participeren in de ‘oorlog tegen terreur’ zijn veel meer Europese landen – waaronder Nederland – onderdeel geworden van het politieke doel waarop Jihadisten hun aandacht concentreren. Een Nederlander in de jaren ’70 zou nooit wakker hebben gelegen van een terroristische aanslag in Baskenland. Anno 2015 fietst Matthijs van Nieuwkerk sneller naar huis omdat er in Parijs een aanslag heeft plaatsgevonden. Wij worden en voelen ons aangesproken door recente aanslagen in Frankrijk en Denemarken en reageren erop. Zo kan de roep om in te grijpen tegen IS niet los worden gezien van de roep om binnenlandse veiligheidsmaatregelen aan te scherpen.

De opkomst van de mondige burger-‘expert’
Een derde ontwikkeling die hier onlosmakelijk mee samenhangt is de opkomst van de mondige burger-‘expert’. Dat klinkt misschien als een cliché uit de jaren ’80 van de vorige eeuw, maar de ontwikkeling is nooit helemaal gestopt. Sterker, door de opkomst van sociale media en de welbekende #ophef op Twitter weten burgers politici en media steeds sneller te vinden en te beïnvloeden. Dit zorgt er ook voor dat sommige politici en journalisten het idee krijgen hier standaard op te moeten reageren. Zij zien Twitter (onterecht) als het zwarte gat dat hen in staat stelt om een glimp op te vangen van het universum van de kolkende onderbuik. De digitale, continu beschikbare voxpop waar men een reflectie van politieke populariteit of journalistieke relevantie in hoopt te zien. Tegelijkertijd heeft de toegankelijkheid van kennis ook de mogelijkheid geboden om overal “iets” van af te weten en, niet geheel onbelangrijk, daar ook vooral iets van te vinden. Zoals Tom Nichols treffend omschreef in een artikel in The Federalist krijgen politici in toenemende mate te maken met een “Google-fueled, Wikipedia-based, blog-sodden collapse of any division between professionals and laymen, students and teachers, knowers and wonderers”. 

Het onderscheid dat Nichols maakt is belangrijk. Niet alle kennis of iedere mening is even waardevol. Toch dient men er wel voor op te passen dat defensie- en veiligheidsvraagstukken niet te gemakzuchtig als ‘high politics’ worden weggezet, waarvan de burger geen verstand heeft en waarvan hij dus ook vooral niet te veel mag vinden. Zeker wanneer het gaat om democratische verantwoording is dat een gevaarlijke houding.

Waar zogeheten ‘low politics‘ de beleidsterreinen treffen die te maken hebben met vraagstukken omtrent de welvaartsstaat, gaan high politics over de beleidsterreinen die direct raken aan het overleven van een staat. Veiligheid en defensie dus. Het opvallende is dat vooral opiniemakers die zichzelf wel in staat achten er iets van te vinden, meestal degenen zijn die high politics omschrijven als “de exclusieve verantwoordelijkheid van de regering” wanneer het hen uitkomt. Dit gescheiden houden wanneer het zo uitkomt is problematisch, zeker wanneer we ons beseffen dat door de vermenging van binnen- en buitenlandse veiligheid er een democratisch vraagstuk ontstaat.

Doordat het aard van conflicten is veranderd en de vijand niet langer gemakkelijk is te herkennen aan een legeruniform van een rivaliserende staat, is begrijpelijkerwijs ook de aanpak van de overheid veranderd. Juist omdat onze vijand zo lastig is te herkennen, is ons veiligheidsapparaat parallel aan deze ontwikkeling  ook een mengvorm aan het aannemen: de scheidslijnen tussen leger en politie zijn nog duidelijk aanwezig in Nederland, maar zijn op deelterreinen wel aan het vervagen. Taken van leger en politie fuseren en overlappen elkaar in toenemende mate: de politie militariseert, zeker als het plan om de politie zwaarder te gaan bewapenen wordt uitgevoerd, terwijl het leger (waaronder in Nederland ook de Koninklijke Marechaussee) zich meer in het straatbeeld begeeft.

Hoewel dit een praktische oplossing is voor een praktisch probleem, kan dit vanuit constitutioneel-democratisch oogpunt problematische vormen aannemen. Het leger is namelijk primair verantwoordelijk voor de veiligheid van de staat en de politie voor de veiligheid op straat. Zodra de regering de vijand van de staat nadrukkelijk op straat gaat zoeken, dreigt het gevaar dat het vijandsbeeld naar binnen slaat en kan de burger gemakkelijk (onterecht) onderwerp van verdenking worden. Dit wegmoffelen onder het adagium “allemaal high politics beste mensen!” is inherent ondemocratisch. Om nog maar te zwijgen over de potentiële grondwettelijke problematiek, zoals het niet langer waarborgen van het recht op privacy, de vrijheid van vereniging en meningsuiting.

Bovendien kunnen experts wel claimen dat high politics het exclusieve terrein is van de staat, maar daarmee riskeren zij zeer snel te worden ingehaald door de realiteit. De verder oprukkende mondige expert-‘burger’ is namelijk niet (langer) te negeren en zal zijn podium steeds nadrukkelijker gaan claimen. Uiteraard zitten hier nadelen aan: niemand wil de discussie over bijvoorbeeld de aanschaf van de JSF ten prooi laten vallen aan valse vergelijkingen (zoals de valse keuze tussen een JSF of extra geld voor de rollator van je oma). Ook speelt de burger-expert een soms tegenstrijdige dubbelrol. Enerzijds klinkt al snel de roep om totale veiligheid en pleit men voor harde maatregelen om aanslagen te voorkomen. Op zoek naar de fijne fata morgana die de risicoloze samenleving heet wordt vrijheid klakkeloos ingeruild voor comfort en geborgenheid. Anderzijds wordt de strijd tegen het terrorisme ook juist bemoeilijkt door diegenen die zich verzetten tegen iedere maatregel waarbij het dilemma van veiligheid versus privacy zich enigszins voordoet. Een goed voorbeeld is dataverzameling voor terreurbestrijdingsdoeleinden. Het vinden van een balans tussen het garanderen van veiligheid en het waarborgen van liberale grondrechten wordt daardoor bemoeilijkt. Daarmee zal in toenemende mate rekening moeten worden gehouden. Of we dat nu leuk vinden of niet.

In het volgende deel zal worden ingegaan op wat gedaan kan worden om deze ontwikkelingen op te vangen en in goede banen te leiden.