Afgelopen week kondigden de vier grote hulporganisaties Hivos, OxfamNovib, Cordaid en Icco een grote ontslagronde aan. Het is het rechtstreekse gevolg van het beleid van minister Ploumen van Handel en Ontwikkelingssamenwerking, die eerder dit jaar aankondigde de subsidiekraan fors te gaan dichtdraaien. Een verstandige beslissing, waar wel een kritische kanttekening bij moet worden gezet.

De uitspraak: “Je moet mensen in ontwikkelingslanden geen vis geven, maar leren hoe zelf te vissen,” hoor ik al sinds ik begin jaren 90 voor diverse ontwikkelingsorganisaties werkte. Iedere organisatie waar ik als freelancer aan verbonden was, zei hetzelfde; het cliché werd keer op keer herhaald. Niet alleen hier, maar ook tijdens studiereizen en reportages die ik in het buitenland maakte. Op deze markt, want dat is het, werd de vis keer op keer opnieuw verkocht.

Budj, 2002Maar in de loop der jaren ontdekte ik dat diverse organisaties zelf de vis pakten, in plaats van zichzelf het vissen aan te leren. Die vis was de jaarlijkse subsidie van tientallen miljoenen die de overheid beschikbaar stelde en waarmee zij deze ‘ontwikkelingsmarkt’ spekte. Dat lijkt nu gelukkig definitief verleden tijd. Vanaf 1 januari volgend jaar moeten de vier grote ontwikkelingsorganisaties, Hivos, OxfamNovib, Cordaid en Icco het met slechts twintig procent van de structurele overheidssubsidie gaan stellen. Waar de organisaties nu nog ieder 50 miljoen euro per jaar(!) aan overheidsgelden ontvangen, krijgen drie van de vier vanaf volgend jaar nog slechts 7 tot 10 miljoen euro, OxfamNovib wordt deels ‘gespaard’ en krijgt 15,6 miljoen. Vandaar dat de organisaties, die ook onderling met elkaar verweven zijn, vorige week alle vier onder luid protest aankondigden gezamenlijk honderden medewerkers buiten de poorten te zetten. Nieuws dat overigens door de media nauwelijks werd opgepakt. Opvallend.

Draai van 180 graden

De voortvarende manier waarop PvdA-minister Ploumen de verspilling van geld richting hulporganisaties aanpakt, is als we haar CV nalezen op z’n minst opmerkelijk te noemen. Ze komt namelijk zelf uit deze wereld. Dit voormalig lid van GroenLinks werkte onder meer voor Foster Parents Plan (het tegenwoordige Plan International), Mama Cash, en bij het hierboven genoemde Cordaid was zij zelfs directeur en lid van de raad van bestuur. De directies van de vier medefinancieringsorganisaties Hivos, OxfamNovib, Cordaid en Icco, moeten dan ook met hun ogen hebben staan knipperen en oren staan klapperen toen uitgerekend Ploumen een draai van 180 graden maakte en ongetwijfeld onder invloed van coalitiepartner de VVD besloot een andere koers te gaan varen.

Hefkens en Ploumen waren geen onbekenden van elkaar. Ze waren allebei lid van de Evert Vermeer Stichting, de aan de PvdA gelieerde organisatie op het gebied van internationale solidariteit

Het begrip ‘medefinancieringsorganisatie’ is overigens een uitvinding van Ploumen’s voorganger Eveline Herfkens, die van 1998 tot 2002 minister voor Ontwikkelingssamenwerking was. Zij besloot destijds grote delen van het budget waarvoor zij verantwoordelijk was uit te besteden aan deze vier organisaties. Daar kwam na enige tijd ook nog een vijfde bij: Foster Parents Plan, de organisatie waaraan ook Ploumen verbonden was.

Hefkens en Ploumen waren geen onbekenden van elkaar. Ze zijn allebei afkomstig uit de Partij van de Arbeid en waren lid van de Evert Vermeer Stichting, de aan de PvdA gelieerde organisatie op het gebied van internationale solidariteit.

Plaatsvervangende schaamte

Die laatste beslissing kwam Herfkens destijds op stevige kritiek te staan, omdat velen Foster Parents Plan een ander soort organisatie vonden dan ‘de grote vier’. Foster Parents Plan kwam niet veel later zwaar onder vuur te liggen vanwege de enorme wervingsacties op tv, waarin miljoenen omgingen, geproduceerd door Joop van den Ende. Tijdens avondvullende gala’s met circusacts en een leger aan (betaalde) bekende Nederlanders, werd mensen aangespoord toch ook vooral een kindje uit Colombia of India ‘te adopteren’. Op zich een prachtige marketing tool, maar hier en daar hadden kenners toch last van plaatsvervangende schaamte als er weer vier bijstandsmoeders uit een straat in Appelscha gezamenlijk hun spaarpotjes omkieperden om de maandelijkse bijdrage bij elkaar te schrapen voor zo’n kansarm kind in den vreemde.

Pronk was de man van ‘het gebaar’. Dat gebaar bestond voornamelijk uit het over de balk gooien van Nederlands belastinggeld richting op z’n minst dubieuze regeringen van Derdewereldlanden

FPP werd onder invloed van de andere organisaties buiten spel gezet en het veranderde daarna drastisch van koers. Tegenwoordig concentreert de organisatie zich vooral op meisjes die, zoals we weten, in ontwikkelingslanden structureel worden achtergesteld. Ploumen ontsprong destijds de dans van negatieve publiciteit rond FPP omdat zij daar toen al was vertrokken.

Gebrek aan kennis

Ik vertel u geen nieuws wanneer ik zeg dat de wereld van de ontwikkelingshulp, we horen tegenwoordig ‘ontwikkelingssamenwerking’ te zeggen, een industrie op zich is. Jazeker, er wordt goed werk verricht. Maar het gebrek aan efficiëntie is vaak ten hemel schreiend. De organisaties zijn log en er heerst een arbeidsethos waar de gemiddelde ambtenaar zich voor zou schamen. Ook de ambtenaren op het ministerie zijn, zoals ik weet uit eigen ervaring, niet altijd helemaal aangesloten. Met bovengenoemde Eveline Herfkens vloog ik in 2002 met een aantal collega-journalisten voor het Nederlandse Rode Kruis naar de Indiase deelstaat Gujarat, waar het jaar daarvoor een verwoestende aardbeving had plaatsgevonden en waarbij 20.000 mensen de dood vonden.Herfkens, Budj, gujarat 2002Ik zag een hardwerkende minister die werd bejubeld door de meereizende ambtenaren van haar ministerie, maar haar lakeien waren vergeten haar in te fluisteren dat het Rode Kruis niet alleen noodhulp biedt, maar ook structurele ontwikkelingshulp. Dat gebrek aan kennis kwam toen ietwat slordig over.

Toch was het Herfkens die de eerste stappen zette om een einde te maken aan het Sinterklaasgedrag van haar partijgenoot en voorganger Jan Pronk.

Dikke, vette strijkstok

Pronk was de man van ‘het gebaar’. Dat gebaar bestond voornamelijk uit het over de balk gooien van Nederlands belastinggeld richting op z’n minst dubieuze regeringen van Derdewereldlanden, als teken van, daar is dat begrip weer, internationale solidariteit. Pronk houdt overigens tot op de dag vandaag vol dat ‘dat gebaar’ van groot belang is, zo bleek tijdens een radio-uitzending van afgelopen zaterdag bij WNL op zaterdag (vanaf 16.20 uur). Daar werd hem gevraagd om een reactie op de ontwikkelingen binnen de ontwikkelingsindustrie. Pronk, die als geen ander weet hoe veel ontwikkelingsgeld aan een heel dikke, vette strijkstok blijft hangen, hield vol dat ‘het gebaar van internationale solidariteit’ toch in stand moest worden gehouden. Hij had geen goed woord over voor het beleid van zijn medepartijlid Ploumen.

In Europa vormen deze mensen een probleem, maar dat ze wegtrekken uit Afrika is het voor dat continent een niet minder groot debacle. Het is een braindrain

Pronk reageerde op Arend-Jan Boekestijn, historicus en voormalig VVD-woordvoerder Ontwikkelingssamenwerking in de Tweede Kamer, die in 2010 het lezenswaardige boekje ‘De prijs van een slecht geweten’  uitbracht. Al eerder, in 2008, had journaliste Linda Polman een onthullend boek gepubliceerd over de enorme inefficiëntie en verspilling over noodhulpgelden in ontwikkelingslanden onder de titel De Crisiskaravaan. Het kwam haar toen op niet malse kritiek te staan. Ook Boekestijn had met zijn boek het nodige te verduren gehad vanuit links-georiënteerde hulphoek, terwijl nu toch duidelijk wordt dat zijn bezwaren een gefundeerde basis hebben. Deze publicaties waren de eerste serieuze barsten in het bolwerk van het tot dan toe zorgvuldig opgebouwde sympathieke imago van logge ontwikkelingsorganisaties die allereerst zichzelf in stand probeerden te houden.

Vluchtelingenstroom

01-032Want dat daaraan iets moet gebeuren is duidelijk nu de Zuidgrenzen van Europa een tsunami aan (vooral economische) vluchtelingen te verwerken krijgt. Werd Afrika tot een paar jaar geleden nog omschreven als ‘Het Verloren Continent’, de cijfers wijzen uit dat uitgerekend dit werelddeel de laatste jaren een grote economische groei laat zien; met grote investeringskansen voor onder meer het Nederlandse bedrijfsleven. Die ontwikkeling moet beslist worden gestimuleerd en Ploumen wijst met haar verandering van koers terecht op de mogelijkheden die Afrika het bedrijfsleven biedt.

In Europa vormen deze mensen een probleem, maar dat ze wegtrekken uit Afrika is het voor dat continent een niet minder groot debacle. Het is een braindrain

Maar alleen als de economische omstandigheden van vooral de Afrikaanse ‘middenklasse’ (die er nu vrijwel niet is) wordt verbeterd, zal de economische vluchtelingenstroom richting Europa afnemen. En die vluchtelingenstroom is niet alleen een probleem voor Europa, maar zeker ook voor Afrika zelf. Omdat de meest ondernemende en vaak redelijk tot goed opgeleide mensen, die zichzelf het bedrag tot 5000 euro kunnen veroorloven om de vlucht te betalen, nu wegtrekken uit landen waar ze juist zo veel zouden kunnen betekenen voor opbouw. In Europa vormen deze mensen een probleem, maar dat ze wegtrekken uit Afrika is het voor dat continent een niet minder groot debacle. Het is een braindrain.

Geen ‘linkse hobby’

Daarom zou ontwikkelingssamenwerking niet meer moeten worden omschreven als ‘een linkse hobby’. Dat is veel te eenzijdig. Het is duidelijk dat Europa zucht onder de enorme toename van vluchtelingen, maar Afrika zucht onder het wegtrekken van deze groepen. Als Ploumen zegt dat het Nederlandse bedrijfsleven grote kansen heeft met het investeren in Afrika, heeft ze groot gelijk. Maar het mag niet zo zijn dat alleen Nederlandse bedrijven door middel van zachte leningen de enige partijen zijn die van de ontwikkelingsgelden profiteren.

Levert ze zichzelf te veel over aan marktwerking, dan geeft ze toe aan ordinaire, neokoloniale principes. En dat kan voor een PvdA-minister toch echt niet de bedoeling zijn

Ik ben het volledig met de minister eens wanneer zij zegt dat handel en banen de sleutel zijn tot het ontwikkelen van dit continent. Maar dat is dan ook precies wat de investeringen, beschikbare gelden en de koerswijziging van het ministerie zullen moeten opleveren: handel en banen voor de Afrikanen. Laten we het beestje bij het naampje blijven noemen: het gaat hier in principe om de ontwikkeling van een continent, en niet alleen om het spekken van Nederlandse bedrijven. Levert de minister zichzelf te veel over aan marktwerking, dan geeft ze toe aan ordinaire, neokoloniale principes. En dat kan voor een PvdA-minister toch echt niet de bedoeling zijn. Als hulporganisaties in dit opzicht iets kunnen betekenen door als tussenpersoon met kennis van zaken contact te leggen tussen ondernemers en de lokale bevolking, kunnen ze wellicht ook leren hun eigen broek op te houden.

Geld verdienen met ondernemerschap richting Afrika is toe te juichen. Maar alleen zolang de Afrikanen en nìet hun vaak zeer corrupte regeringen, daar zelf ook beter beter van worden. Dat is de enige manier om de economische vluchtelingenstroom richting Europa daadwerkelijk te stoppen. Dus is het wellicht tijd om na de introductie van het begrip ‘groen rechts’ nu ook van ‘fair trade’-rechts te gaan spreken?