Toen Mona Elthawy vijftien was, ging ze voor het eerst met haar ouders op Hadj naar Mekka. Een van de hoogtepunten daar is het lopen, in een drommende mensenmassa, rond de Ka’aba. Maar net toen Mona en haar ouders aan deze tocht rond de heiligste van alle plaatsen waren begonnen, voelde ze een hand op haar billen. “Nooit eerder was ik daar, of waar dan ook trouwens, door een man aangeraakt. Ik kon niet weglopen en al had ik de moed gehad, ik kon me niet omdraaien om de man die me betastte daarop aan te spreken. Daarvoor was het gedrang te groot.” De man hield niet op, en ze barstte in tranen uit.

Niet veel later gebeurde iets vergelijkbaars, toen ze (een tweede verplicht ritueel) de ‘zwarte steen’ gingen kussen. De politieagent die ervoor moest zorgen dat de mannen op een afstandje bleven, greep haar bij de borst. “Als een politieman pal naast de Ka’aba mijn borst betast, wat heb ik dan voor kans om me te beklagen en er iets tegen te laten doen? Zwijgen en schaamte zijn snel en al vroeg geleerd.”

Het zijn typerende incidenten die Eltahawy (Port Said, 1967) beschrijft in haar nieuwe boek, Hoofddoek en maagdenvlies. Waarom het Midden-Oosten een seksuele revolutie nodig heeft, dat net is verschenen bij De Bezige Bij. Eltahawy is een Egyptisch-Amerikaanse journaliste en schrijver die bekend werd door haar verslaggeving van de Egyptische revolutie, en het artikel dat ze naderhand publiceerde in Foreign Policy, Why Do they Hate Us?. Een bekende vraag in de VS na 9/11, maar met “they” bedoelde Eltahawy de Arabische man, en “us” haarzelf en andere Arabische vrouwen. De ophef was niet te overzien, maar naast de voorspelbare afwijzende reacties vond Eltahawy verrassend veel medestanders. Haar nieuwe boek is een uitwerking van dit artikel, plus hoofdstukken over specifieke onderwerpen als de sluier, maagdelijkheid, huiselijk geweld en seks. Bovenal is het een heel persoonlijk verhaal, want, zoals Eltahawy schrijft, “Het meest subversieve wat een vrouw kan doen is over haar leven praten alsof dat werkelijk belangrijk is.”

Eltahawy woonde tot haar vijftiende met haar ouders in Glasgow, waar haar moeder de kostwinner was. Maar het gezin verhuisde naar Saoedi-Arabië vanwege werk. Het was “een andere planeet”, waar Eltahawy acuut werd “getraumatiseerd tot feministe”. Vrouwen waren er hulpeloos en machteloos, geïnfantiliseerd en gesegregeerd, en kregen bovendien, ondanks alle lichaamsbedekking, een constante stroom handtastelijkheden te verduren. “Vrouw zijn in Saoedi-Arabië betekent dat je de belichaming bent van de zonde,” schrijft Eltahawy. Ze raakte er zwaar depressief.

Het interessante is dat ze eerst probeerde om zich aan te passen. Eltahawy droeg negen jaar de hoofddoek (“een witte vlag die geheven wordt als teken van onze overgave aan de islamisten en hun conservatisme”), en kent alle smoesjes en drogredenen, omdat ze die zelf gebruikte. Ze liet zich erop voorstaan dat het haar “eigen vrije keuze” was, terwijl ze zich in werkelijkheid ongemakkelijk voelde onder haar hoofddoek. Ze hoopte dat die haar zou beschermen tegen grijpgrage handen, maar het bleek in de praktijk geen enkel verschil te maken. Integendeel: “hoe sterker de vrouwen zich bedekken, des te groter de vrijbrief is die mannen krijgen” – het belast tenslotte de vrouwen zelf met de verantwoordelijkheid voor het seksueel gedrag van mannen, iets waar ze geen enkele controle over hebben.

Eltahawy is vernietigend over voorstanders van het ‘recht’ om de hoofddoek te dragen: “daarmee steunen ze een ideologie die niet gelooft in welk recht van de vrouw ook, behalve het recht haar gezicht te bedekken.” De aanleiding om haar hoofddoek uiteindelijk af te leggen kwam toen ze zich realiseerde dat haar “vrije keuze” er voor de buitenwereld niets toe deed. Ze wás een hoofddoekje, en daarom deugdzaam, en daarom zou ze makkelijk aan de man komen, aldus buitenstaanders. Wat er ónder dat hoofddoekje zat, deed er volstrekt niet toe.

Maar goedbeschouwd zijn hoofddoekjes nog een betrekkelijk pijnloze manier om de identiteit van vrouwen in de publieke ruimte uit te wissen. Dat kan namelijk ook letterlijk. Eltahawy schrijft: “Wij Arabische vrouwen leven in een cultuur die fundamenteel vijandig tegenover ons staat en wordt beheersd door mannen die alleen maar minachting voor ons voelen. […] Ja, ze haten ons, het moet gezegd worden.”
En de voorbeelden liegen er niet om: de 92% van de vrouwen in Egypte die genitaal verminkt zijn, de bekende schoolbrand in Saoedi-Arabië waarbij vluchtende meisjes zonder hoofddoek door de zedenpolitie terug het gebouw in werden gedwongen, het achtjarige meisje in Jemen dat door haar 40-jarige echtgenoot werd verkracht op haar ‘huwelijksnacht’ en stierf aan inwendig letsel. De man die z’n echtgenote doodslaat terwijl de politie weigert in te grijpen. De vader die zijn vijfjarige peuter doodmartelt omdat hij het waanidee koestert dat ze geen maagd meer is. De verkrachters die hun straf ontlopen door met hun slachtoffers te trouwen.

Obligaat terzijde: Eltahawy beperkt zich om voor de hand liggende redenen tot het islamitische Midden-Oosten, maar wie onder de illusie is dat andere religies zulke rabiate vrouwenhaat al lang ontstegen zijn, zou eens Does God Hate Women? van Ophelia Benson en Jeremy Stangroom erop na kunnen slaan (spoiler alert: het antwoord op de titel is een volmondig ‘ja’). Benson en Stangroom geven in hun vlammende, buitengewoon leesbare en goed onderbouwde boek een eindeloze opsomming van recente horrorincidenten die vrouwen in de meest uiteenlopende religieuze gemeenschappen moesten ondergaan, van mormonen tot hindoes en van katholieken tot joden. “The painful truth is that still, to this day, most people who believe in a god believe in a vindictive, punitive, even cruel god; a god who prefers some people to others and wants to see the others obliterated; a god who thinks women are greatly inferior to men and who thinks they should be harshly punished for the most trivial of reasons.” Afgelopen week zagen we nog het voorbeeld van het verkrachte 10-jarige Paraguayaanse meisje dat een abortus wordt geweigerd.

Dat gezegd hebbende, het kán gewoon niet langer ontkend worden dat de islam ze bruiner bakt dan welke andere religie ook, op dit moment. Niet alleen als het gaat om de aantallen, maar ook om de ernst en de structurele aard van de ‘incidenten’. En eigenlijk is het verbijsterend hoe blasé en murw we daar inmiddels over zijn: jaja, geslachtsdelen afgesneden en dichtgenaaid, meisjes levend verbrand, kinderen en vrouwen om de haverklap doodgeslagen om de ‘eer’ – we weten het zo langzamerhand wel. Maar dit is the stuff of horror movies, een eindeloze reeks afgrijselijke incidenten van een niet te bevatten harteloosheid.

En waarom eigenlijk? Eltahawy: “Ze haten ons omdat ze ons nodig hebben, omdat ze bang voor ons zijn. Ze weten hoeveel controle er nodig is om ons in het gareel te houden, zodat we brave meisjes blijven met ons maagdenvlies intact, tot het tijd voor hen is om ons tot moeders te neuken die toekomstige generaties vrouwenhaters voortbrengen, waarmee hun patriarchaat eeuwig kan voortbestaan. Ze haten ons omdat we tegelijkertijd hun verleiding zijn en de redding van dat patriarchaat, dat, zoals ze zich vroeg of laat moeten realiseren, henzelf ook kwaad doet. Ze haten ons omdat ze weten dat wij rekenschap zullen eisen, als we onszelf eenmaal hebben bevrijd van het verbond tussen Staat en Straat dat ons in zijn macht probeert te houden.”

In haar oorspronkelijke artikel had ze een bondiger antwoord (“seks”) en verwees ze naar het schrikbeeld van “Woman the Insatiable Temptress”. Dat komt misschien nog dichter bij de kern – pure angst voor de ontegenzeggelijke macht van vrouwen als het gaat om seks en voortplanting. Niet alleen kunnen vrouwen immers kinderen baren en zogen – de machtige moeders waar we allemaal zo van afhankelijk zijn – ze kunnen bovendien mannen het hoofd compleet op hol brengen, ze letterlijk gek maken. En wat mannen nog kwetsbaarder maakt is dat ze, in tegenstelling tot vrouwen, daadwerkelijk een seksuele ‘prestatie’ moeten leveren, en het direct en pijnlijk duidelijk is als dat niet lukt. Als religie vermomde vrouwenhaat: misschien is het niet meer dan de wraak van seksueel gefrustreerde mannen die zich ooit in bed tekort voelden schieten. Het veelzeggende excuus voor genitale verminking is tenslotte dat onbesneden vrouwen “seksueel onbeheersbaar” zouden worden.

De meeste grote religies besteden buitensporig veel aandacht aan alles wat die mannelijke kwetsbaarheid kan minimaliseren – uiteraard met voorschriften voor vrouwen, niet mannen. Zodoende worden vrouwenlichamen opgesloten, bedekt, weggemoffeld, verminkt, worden vrouwen in sociaal-economische transacties uitgehuwelijkt aan partners die ze nog nooit hebben gezien – alles lijkt erop gericht om gevaarlijke, maatschappelijk ontwrichtende gevoelens tot een minimum te beperken. Je zou er bijna van gaan denken dat dat een van de hoofdfuncties is van georganiseerde religie. Want de mens mag dan wel een betekeniszoekende diersoort zijn met een hang naar grote verhalen, zingeving en spiritualiteit, als je kijkt naar wat religie daadwerkelijk dóet in een streng-religieuze samenleving, waar het toe dient, dan blijkt het een sociaal instrument met een aantal bij uitstek praktische functies: het handhaven van de (patriarchale) status quo, het onder controle houden van vrouwen en hun seksualiteit, en het uitschakelen van dissidenten, afvalligen en buitenstaanders (wat uiteraard ‘gerechtvaardigd’ is omdat de religie de eigen groep superieur verklaart).

Hoe dit in de praktijk uitpakt? “Noem me een Arabisch land en ik laat je een litanie horen van misdaden tegen vrouwen die daar worden begaan, misdaden gevoed door een giftige mix van cultuur en religie die maar weinig mensen willen of kunnen scheiden uit angst heiligschennis te plegen of anderen te beledigen,” schrijft Eltahawy. En een van de giftigste verschijningsvormen hiervan is wel de manier waarop de overheid seksueel geweld inzet om vrouwen uit de publieke ruimte te weren en uit te sluiten van het politiek proces. Werden onder Mubarak nog soldaten en knokploegen ingezet om vrouwen aan te randen, onder Sisi werd deze strategie uitgebreid met quasi-vrome ‘maagdelijkheidstesten’. Dit houdt in dat soldaten vrouwen aanranden met twee vingers (een de facto verkrachting) vanuit de onnavolgbare logica dat die vrouwen de militairen dan niet kunnen beschuldigen van verkrachting (alleen maagden kunnen blijkbaar worden verkracht). In Indonesië hebben ze er trouwens een ander smoesje voor: daar zijn maagdelijkheidstesten ‘nodig’ om het ‘moreel’ van vrouwelijke rekruten vast te stellen, een praktijk waar nogal wat rekruten een trauma aan overhielden.

Wanneer de staat zich schuldig maakt aan seksueel geweld tegen vrouwen, schrijft Eltahawy, “dan stuurt die staat een signaal aan iedereen dat het lichaam van vrouwen vogelvrij is”. Het is een vicieuze cirkel: het regime weet dat het vrouwen kan verkrachten omdat de samenleving niet voor haar eigen vrouwen zal opkomen – het zou volgens haar niet gebeuren als dit soort aanrandingen niet al sociaal geaccepteerd was. In de praktijk werken Staat en Straat samen om vrouwen uit de publieke ruimte te weren.

Eltahawy heeft ook zelf het soort seksuele intimidatie meegemaakt dat vrouwelijke activisten van de straat moet houden. In 2011 werd ze op Tahrir ‘gearresteerd’ door soldaten van de veiligheidsdienst, die haar aanrandden en haar beide armen braken (een ‘passende straf’ voor een journalist). Ze beschrijft ook hoe het aantal gevallen van seksueel geweld tegen vrouwen sinds de Arabische Lente alleen maar is toegenomen, en de positie van vrouwen in de hele regio verslechterd. Haar boek heeft notenapparaat, maar een deze week verschenen rapport van de Internationale Federatie voor Mensenrechten (FIDH) geeft haar tot in de details gelijk. Er is sprake van seksueel geweld door de Egyptische veiligheidsdiensten “op een massieve schaal”, geweld dat onbestraft blijft, en dat niet alleen vrouwen maar ook kinderen en soms zelfs mannen treft. “Wie niet is verkracht, is de uitzondering op de regel,” aldus een voormalige gevangenismedewerker in het rapport. “De schaal van het seksueel geweld, methodes en algehele straffeloosheid wijzen op een cynische politieke strategie om burgers te intimideren en de oppositie het zwijgen op te leggen,” stelt Karim Lahidji, voorzitter van de FIDH. Het geweld is systematisch en vindt werkelijk overal plaats: bij checkpoints, in de metro, in ziekenhuizen, gerechtshoven, sportscholen, op universiteiten, bij mensen thuis en in de gevangenis. Ook verwijst de FIDH naar een eerder rapport waaruit blijkt dat seksueel geweld door burgers al evenmin wordt vervolgd.

Het is om moedeloos van te worden. Maar Eltahawy blijft strijdbaar. De revolutie heeft volgens haar álles te maken met seks en vrouwenrechten: “Dit is onze kans om een politiek en economisch systeem omver te werpen dat de helft van de mensheid op z’n best als kinderen behandelt.” Ze maakt gehakt van de romantische onzin dat de sterke Arabische vrouwen toch binnenshuis alle macht hebben, een voorbeeld van het “impliciet racisme” van links waar ze niets van moet hebben. “Cultureel relativisme is net zo goed mijn vijand als de onderdrukking waar ik tegen strijd binnen mijn cultuur en mijn geloof.” En ze veegt de vloer aan met het kul-argument dat het beter is om vrouwenhaat niet aan de kaak te stellen omdat dat ‘de gemeenschap’ een slechte naam bezorgt en “koren op de molen” van de racisten en islamofoben is. Wanneer mannen zeggen dat vrouwenrechten voorlopig ondergeschikt moeten blijven aan het grotere doel van de revolutie, antwoordt Eltahawy: “Wiens revolutie?”

Want die revolutie, stelt ze, zal uiteindelijk van de vrouwen moeten komen, thuis en op straat, een feministische afrekening met cultuur en religie, met islamisten en het leger: “Als we niet het verband leggen tussen de misogynie van de staat en die van de straat, als we niet de nadruk leggen op de noodzaak van een sociale en seksuele revolutie, zullen onze politieke revoluties mislukken.” En tot nog toe geeft de geschiedenis haar gelijk.