Het meest opvallende aan het voortdurende uitstel van de Brexitdatum is het gebrek aan boosheid onder Leavekiezers.

Nigel Farage was vandaag weer eens in het nieuws. Tijdens een recente spreekbeurt had hij verklaart zijn geweer te moeten opnemen als Brexit niet door zou gaan. Nu zijn we dit soort retoriek inmiddels wel gewend – in eigen land hebben de extreemrechtse partijen er ook een handje van om te dreigen met revolutie als hun wensen niet worden uitgevoerd. Meestal is dat soort gedreig gebakken lucht. De enige reden om het ditmaal serieuzer te nemen, is dat het Brexitproces duidelijk heeft geleid tot verscherpte tegenstellingen in de Britse samenleving. Het heeft gezorgd voor diepe verdeeldheid binnen de beide grote partijen, en tussen de verschillende regio’s binnen het Verenigd Koninkrijk (Londen en Schotland versus de noordelijke Engelse graafschappen). Zelfs binnen families en vriendenkringen heeft het gezorgd voor gespannen verhoudingen. Het referendum heeft het Britse ‘Europaprobleem’ wat dat betreft niet opgelost maar juist verdiept.

Toch is het onwaarschijnlijk dat we door Brexit aankoersen op een tweede Britse burgeroorlog. Alle opinieonderzoeken laten weliswaar zien dat kiezers het gehad hebben met de twee gevestigde partijen, maar ze tonen bepaald geen golf van volkswoede over het uitblijven van Brexit. Sterker nog, het lijkt er zelfs op dat men er wel vrede mee heeft dat het moment van uittreden voor onbepaalde tijd wordt opgeschort. Dat heeft vooral te maken met het feit dat men vreest dat het enige waarschijnlijke plan voor uittreding uit de Unie, een No Deal Brexit, rampzalige gevolgen zal hebben – een recente YouGov peiling toonde aan dat 50 procent van de kiezers dit een slecht scenario vindt. Nu niet besluiten betekent dus ook het uitstellen van pijn.

Wat ook meespeelt is dat het huidige politieke vagevuurverblijf – geen vertrek maar ook geen volwaardig lidmaatschap – van buitenaf misschien wel rommelig oogt, maar de Britten in zekere zin ook geeft wat ze willen. Ze kunnen zich zo buiten de kern van de EU wanen en tegelijkertijd toch blijven profiteren van alles wat Europese samenwerking te bieden heeft. Het feit dat Theresa May de zaal uit moet als de EU27 gaan vergaderen over Brexit, is wat dat betreft een welkome bevestiging van de eigen bijzondere status. Het moeten meedoen aan de Europese verkiezingen zal daar geen wezenlijke verandering in brengen, al zullen de harde kernen van beide kampen het moment wel aangrijpen om de referendumcampagne nog eens over te doen. De verkozen parlementariers zullen vervolgens in het parlement net zo weinig te zeggen hebben als de Britse regering in de Raad.

Misschien bevalt deze plek aan de rand van de de besluitvorming, half erbuiten, de Britten ook wel. Zoals de Britse commentator Janan Ganesh een paar jaar geleden uitlegde: het Verenigd Koninkrijk is helemaal niet op zoek naar een nieuwe rol, het wil liever helemaal geen rol. Veel Britse kiezers willen het liefst een permanente verantwoordelijkheidsvakantie. Men is moe van het moeten vervullen van een leidende rol in Europa. Men verlangt naar rust en afzondering. Maar men wil er liever niet teveel welvaart of veiligheid voor inleveren, want zo idealitisch is men nu ook weer niet. Dan maar het vagevuur.