Afgelopen weekend zijn bij een Amerikaanse drone-aanval zes, mogelijk negen, Pakistaanse militanten gedood. Enkele dagen daarvoor hadden de Amerikanen succes in Somalië: ze wisten een leider van Al-Shabaab uit te schakelen. Toch blijven dergelijke doeltreffende drone-aanvallen omstreden, niet in de laatste plaats vanwege de burgerslachtoffers die er helaas ook vaak bij vallen.

Deze ophef is curieus. Drones zijn relatief gezien zeer precies. Dankzij hun inzet heeft het Amerikaanse leger het aantal burgerslachtoffers juist weten te beperken. Voorheen werden minder precieze middelen ingezet voor zogeheten targetted killings, en die leidden meestal tot grotere collateral damage, bijkomende schade.  Zoals lasergestuurde raketten, die de Russen gebruikten om de Tsjetsjeense president Dzokhar Dudaev uit te schakelen in 1996. Of het opblazen van complete flatgebouwen, wat de Israëlische geheime dienst deed tijdens haar wraakacties na het door PLO- en Black September-terroristen aangerichte bloedbad onder Israëlische sporters tijdens de Olympische Spelen München in 1972. En wat te denken van ‘old school’ napalm, zoals de Colombiaanse regering in 1964 gebruikte in een poging om kopstukken van de FARC uit te schakelen? Duidelijk is dat de voortgang in techniek zorgt voor een betere precisie en dit is terug te zien in de cijfers. Het soldaat:burger ratio bij slachtoffers in conflicten is erg gedaald in het voordeel van burgers. Dat is ook niet zo gek: de tijden van luchtaanvallen zoals in Vietnam, waar de Amerikanen het grootschalige gebruik van napalm ook niet schuwden, zijn voorbij. Een rapport van Human Rights Watch uit 2008 over de oorlog in Afghanistan bevestigt dit beeld: er vallen niet zozeer burgerslachtoffers tijdens gerichte aanvallen, maar veel vaker bij zogeheten rapid response aanvallen. Hierbij worden F16’s opgeroepen om grondtroepen te beschermen wanneer deze (bijvoorbeeld op een dorpsplein) onder vuur komen te liggen. Zeker in conflicten waar de strijd grotendeels wordt gevoerd door lokale opstandelingen, is het lastig om de onschuldige burger van de opstandeling te onderscheiden. Met alle gevolgen van dien.

Toch blijven drones keer op keer in het nieuws komen vanwege de burgerslachtoffers en het vermeende ‘gemak’ dat ze brengen bij oorlogvoering. Als in: je kan vanuit je veilige leunstoel op een Amerikaanse basis een drone aansturen om dood en verderf te zaaien aan de andere kant van de wereld. Over het aantal onschuldige slachtoffers dient echter wel duidelijkheid te bestaan, namelijk dat die duidelijkheid er niet is. Hoeveel onschuldige slachtoffers er precies vallen bij drone-aanvallen weten wij namelijk niet. De Verenigde Staten komen met cijfers als 30 burgers op 1300 legitieme doelwitten, terwijl Pakistaanse autoriteiten ongeveer het tegenovergestelde beweren. De verschillen zijn logisch te verklaren: zowel de VS als Pakistan, alsook burgerrechtenbewegingen, hebben er politiek belang bij om het aantal slachtoffers, los van de feitelijke werkelijkheid, hoger of lager in te schatten. Voor wetenschappers is het daarom haast onmogelijk om op basis van deze cijfers gedegen onderzoek te verrichten.

Wanneer het gaat om het vermeende ‘gemak’ van oorlogvoering, dient ook hier een kanttekening te worden geplaatst. Het is niet zo dat drone-piloten lekker een potje zitten te Playstationen, hier en daar een terroristje omleggen alsof ze Call of Duty spelen, en vervolgens gezellig thuis bij moeder de vrouw aanschuiven voor een bord warme prak. Vaak dienen piloten deze menselijke doelen dagenlang te observeren (waarbij ze dus ook zien dat hun beoogde doelwit best een aardige vent is die met zijn zoontje voetbalt) alvorens het groene licht te krijgen voor hun drone strike. Drones zijn hierbij eerder een rehumanisering van oorlog dan een dehumanisering: vijanden worden niet alleen in de ogen aangekeken, maar de piloten leren hen zelfs een beetje kennen. Het wekt vanuit dat perspectief ineens een stuk minder verbazing dat drone-piloten net zo vaak last van PTSS hebben als “gewone” soldaten.

Is de ophef dan volledig onterecht? Nee. Al zit deze niet zozeer in het middel, maar juist in het gebruik van targeted killing als essentieel onderdeel in de zogeheten War on Terror. Dit heeft er voor gezorgd dat de Amerikaanse president Obama zijn inlichtingendienst CIA (die de drone-uitvallen uitvoert) steeds verder heeft gemilitariseerd. Er is momenteel een sterke overlap van taken tussen het Pentagon en die van de CIA. Doordat de CIA (belast met binnenlandse veiligheid) deze aanvallen uitvoert, worden risico-inschattingen veelal gemaakt op basis van binnenlandse veiligheid en niet zozeer vanuit internationaal-strategische overwegingen. Dit zorgt voor rare situaties. Zoals  in het geval van Anwar al-Awlaki, die werd omgebracht tijdens een drone strike in Jemen maar waarbij zijn 16-jarige zoon (een Amerikaans staatsburger) mede om het leven kwam. Het executeren van een Amerikaans staatsburger zonder proces is op zijn zachtst gezegd niet helemaal in lijn met de Amerikaanse grondwet, noch het internationaal recht. Het campagneteam van Obama meende in 2012 dat het niet de schuld van de regering Obama was. Had de jongen maar een “meer verantwoordelijke vader” moeten hebben.

Hierin schuilt precies het probleem met drone-aanvallen: er wordt weinig tot geen democratische verantwoording over afgelegd, en de CIA lijkt steeds meer op een paramilitaire macht die de president naar eigen willekeur kan inzetten. Hoewel Obama na veel kritiek wel een poging heeft gewaagd het droneprogramma meer onder het Pentagon te laten vallen, is dit hem uiteindelijk niet gelukt. De CIA heeft door jarenlange ervaring dermate veel kennis dat het snel, efficiënt en geruisloos kan opereren. Een drone strike is zo goed als de inlichtingen op basis waarvan deze wordt uitgevoerd, en de CIA is, mede dankzij hun ons inmiddels wel bekende (digitale) inlichtingenbedrijf NSA, nou eenmaal een gigantische ‘intelligence professional’. Dit in tegenstelling tot de legerleiding in het Pentagon, dat bij een drone strike in Djibouti halverwege december juist tientallen burgerslachtoffers maakte. Hoewel de CIA geruisloos dient te opereren, is het discutabel wanneer geruisloos opereren de strategie wordt van een openbare oorlog. Iedere burger weet namelijk dat er een War on Terror gaande is, en weet wat de strategie is (namelijk: het gericht doden van (vermeend) terroristische kopstukken). Het gaat hier dus niet om een supergeheime CIA operatie die in de coulissen van het wereldtoneel wordt gevoerd. Toch maakt de regering Obama misbruik van de uitzonderingspositie van de CIA. In de schaduwen opereren, opent deuren om creatief om te gaan met het internationaal recht, een vlieger die minder goed opgaat als de oorlog “gewoon” door Defensie wordt uitgevoerd. Om de CIA in haar handelen te beschermen verscheen onlangs een white paper, een rapport, van het ministerie van Justitie waarin staat te lezen dat een targeted killing geen moord is, omdat Amerika officieel in oorlog is met Al Kaida, en het in dit geval gaat om zelfverdediging.

Bij drones gaat het dus eerder om een politiek vraagstuk dan om een vraagstuk of we “bepaalde middelen wel moeten willen met zijn allen”. De vraag is eerder of we bepaalde trucjes van democratische regeringen wel moeten willen. Drones een onderdeel maken van de strategie in de War on Terror, en hun toepassing in handen geven van een instantie die nauwelijks vatbaar is voor democratische verantwoording, past precies in het buitenlands beleid van de regering Obama. Dat is er op gericht om er voor te zorgen dat je als land internationale invloed en druk kunt uitoefenen, zonder dat je daadwerkelijk soldaten hoeft in te zetten. Zeker na de bloederige grondoorlogen in Afghanistan en Irak zijn drones een verleidelijk middel voor politici om naar te grijpen. Wel de lusten van invloed, maar niet de politieke lasten van verantwoording en body bags. En politici houden nou eenmaal niet van zware knopen doorhakken, omdat ze nooit weten wat ze ervoor terugkrijgen. Zeker, drones zorgen voor burgerslachtoffers – maar de praktijk wijst uit dat zolang deze niet aan Amerikaanse kant vallen, presidenten met veel meer weg kunnen komen – en dus ook volop gebruik maken van die electorale loop hole.

De principiële kwestie is groter en belangrijker. Amerika verkeert sinds 2001 in een permanente staat van oorlog. Normaal gesproken behoort oorlog een uitzonderingssituatie te zijn, maar dat is in de VS niet langer het geval. Juist door deze uitzondering permanent te maken, is de regering in een hele gevaarlijke positie terecht gekomen: er is teveel zeggenschap bij de uitvoerende macht komen te liggen. Een situatie waar Founding Father James Madison al voor waarschuwde in de Federalist Papers van 1787. Je kan het zo zien: de Amerikaanse regering is als een burgemeester die 14 jaar geleden de noodsituatie in zijn stad heeft afgekondigd, waarbij de mate van extra wettelijke zeggenschap die dat opleverde hem wel beviel, waarop hij de situatie nooit heeft willen terugdraaien. Het regeert wel lekker, zo zonder al te veel volksvertegenwoordigers in je nek.

Drones op zich zijn niet zorgelijk. Maar een regering die meent een staatsburger om te kunnen leggen omdat deze verdacht wordt op basis van (uiteraard niet openbare of controleerbare) NSA-analyses “gelieerd” te zijn aan Al Kaida, of een regering die de eigen grondwet succesvol omzeilt en tegelijkertijd de uitvoering van de targeted killings onder de schaduwen van de CIA laat vallen om het oorlogsrecht te omzeilen: dit politieke spel verdient onze zorg, niet de middelen die worden ingezet. Hate the game, not the player.