Na jaren van uitstel lijkt het moment gekomen waarop May eindelijk zal moeten kiezen tussen de twee vleugels van haar partij.

Al ruim vijftig jaar wonen er twee zielen in de borst van de Conservatieve Partij. De ene ziel pleit voor toenadering tot het Europese continent, om zo het Verenigd Koninkrijk een nieuwe geopolitieke rol te geven na het verlies van het koloniale rijk. De ander pleit voor een moderne versie van de negentiende-eeuwse Splendid Isolation doctrine: bevriend met het continent, maar er wel afstand van houdend.

Sinds het moment van toetreden tot de EEG (de latere EU) is de partij daardoor verdeeld over de vraag of lidmaatschap wel moet worden voortgezet. De Leavers waren in het eerste referendum in 1975 nog een kleine minderheid. De latere premier, Margaret Thatcher, voerde enthousiast campagne voor voortzetting van het lidmaatschap. De ruime overwinning van het Ja-kamp leek het debat even te hebben doen verstommen. Maar in de tweede helft van de jaren tachtig brak het opnieuw uit, en feller dan voorheen.

Thatcher, de architect van de Interne Markt, vond dat Europese integratie te snel en te ver ging. Ze voelde zich op persoonlijk vlak bovendien buitengesloten in het overleg tussen de andere twee grote lidstaten, West-Duitsland en Frankrijk. Het feit dat de Commissievoorzitter, Jacques Delors, een Fransman en een integrationist was voedde haar wantrouwen nog meer. Aan het eind van haar premierschap gold Thatcher als de belangrijkste pleitbezorger van de euroscepsis: weliswaar nooit openlijk pleitend voor uittreding maar wel voortdurend openlijk aan de rem hangend als de andere lidstaten probeerden de integratie verdere impulsen te geven.

Haar politieke einde was een soort koningsdrama waarin pro-Europese ministers hun eurosceptische leider langzaam maar zeker zover in het nauw dreven dat ze uiteindelijk geen andere keus had dan op haar zwaard te vallen. Onder John Major vond de eerste openlijke veldslag over Europa plaats. Een grote groep rebellen weigerde het Verdrag van Maastricht waarmee formeel de Europese Unie werd gelanceerd te steunen. Om te laten zien hoe lang de lijnen in de Tory politiek zijn: van deze rebellen is een behoorlijk aantal ook 25 jaar later nog prominent aanwezig in het parlementaire debat – Bill Cash, Bernard Jenkin, John Whittingdale, Liam Fox. Een van de rebellen van destijds, Iain Duncan Smith, heeft zelfs aangegeven (opnieuw) voor het leiderschap van de partij te gaan.

Majors overwinning over de ‘bastards’ en ‘headbangers’ in het eurosceptische kamp had een eind moeten maken aan de eurorebellie. Toch bleef het thema van de verdeeldheid nog ruim een decennium doorzeuren, ook al omdat men naar een verklaring zocht voor het eigen electorale falen tijdens de Blairjaren. Volgens de eurosceptici lag dit aan het gebrek aan duidelijkheid over Europa, volgens de pragmatici aan het gedram van de eurosceptici. Toen met David Cameron een nieuwe generatie aan de macht kwam, was even de hoop dat hij het probleem achter zich zou kunnen laten. Maar toen duidelijk werd dat de verdeeldheid hardnekkiger was dan hij hoopte, kwam hij met een list: een referendum om de vraag voor eens en altijd (of in ieder geval voor een generatie) te beantwoorden.

Camerons hoop was dat het referendum in een overtuigende overwinning voor het Ja-kamp zou eindigen. Het is net even anders gelopen. Die uitslag luidde niet alleen de val van Cameron in, maar maakte ook een eindstrijd tussen beide kampen onvermijdelijk. Het was nu immers niet langer mogelijk de twee met elkaar te verzoenen. Of de uitslag zou worden uitgevoerd, zodat de pro-Europeanen alles kwijt waren waarvoor ze 50 jaar hadden gewerkt, Of de uitslag zou alsnog ongedaan worden gemaakt, zodat de eurosceptici met lege handen en een gevoel van verraad achter zouden blijven.

De nederlaag in januari, tijdens Meaningful Vote 1, maakte duidelijk dat het May niet was gegund om deze strijd via een compromis (Brexit, maar met behoud van elementen van het Interne Markt lidmaatschap) in het voordeel van de Leavers te beslechten. Sindsdien is ze niet meer bezig met het winnen van de parlementaire strijd over haar voorstel, maar vooral met het bijeen houden van haar partij. Ondanks het vertrek van drie pro-Europese politici uit haar fractie is dat tot nu toe redelijk gelukt, vooral door cruciale stemmingen telkens weer uit te stellen. Maar het moment waarop niet meer kan worden doorgeschoven is nu aangebroken.

Er zijn twee scenario’s voor komende week. In het een kunnen de MPs morgen geen overeenstemming bereiken over een alternatief voor Mays deal. In dat geval zal May een manier moeten vinden om haar voorstel een laatste keer in stelling te brengen. Na de ook dan weer onvermijdelijke nederlaag zal ze moeten kiezen tussen uitstel (zodat haar Leave-vleugel opstapt) en No Deal (zodat haar Remain-vleugel opstapt). Het andere scenario geeft haar een kans om haar voorstel in stelling te brengen tegen eventuele door een meerderheid van de Commons aangenomen alternatieven. Ook dan zal haar voorstel vrijwel zeker het onderspit delven, zodat ze voor de keuze staat: het voorstel van de Commons overnemen (zodat haar Leave-vleugel opstapt) of negeren (zodat haar Remain-vleugel opstapt).

Beide scenario’s eindigen met het uiteenvallen van haar partij en de val van haar kabinet – geen wenkend perspectief. Daarom zal ze vrijwel zeker proberen om de allerlaatste stemming over het weekend heen te tillen, naar de alleruiterste deadline van maandag 8 april. Er zal veel parlementair kunst en vliegwerk voor nodig zijn, maar waar een wil is wordt vaak ook wel een procedurele weg gevonden. In Westminster gaat het gerucht dat die uitweg zou kunnen bestaan uit nieuwe verkiezingen, met haar deal als inzet. Overleeft May dat? Vrijwel zeker niet. Maar het zou kunnen dat haar partij dat net voldoende zou kunnen overleven om enigszins gehavend door te gaan.