Op 7 januari 1979 brak de Iraanse Revolutie uit, die volgden op een jaar vol demonstraties tegen het dictatoriale regime van de sjah. Hoe kwam het dat de Iran veranderde van een pro-westerse monarchie in een anti-westerse theocratie?

 

Pro-westerse dictatuur

Iran, het vroegere Perzië, was millennia lang een monarchie. Het land werd geregeerd door de sjahs. In 1953 was het land, dankzij een door Groot-Brittannië en de Verenigde Staten gesteunde coup, een pro-westerse koers ingeslagen. De oliecrisis van 1973 zorgde voor een economische boom in Iran, omdat dankzij de hogere olieprijs er veel meer geld in het laatje kwam. Deze boom zou echter mede voor de val het regime zorgen, want de bevolking verwachtte meer welvaart en was heel boos toen de Iraanse economie in 1977-1978 in een dipje terecht kwam. Omdat het regime op brute wijze probeerde de protesten de kop in te drukken wensten veel Iraniërs het vertrek van de sjah.

Het regime van de sjah voerde sinds 1963 een pro-westers hervormingsbeleid dat bekend stond als de ‘witte revolutie’. Deze politiek riep bij conservatieve gelovigen veel verzet op. De sjiitische geestelijke Ayatollah Ruhollah Khomeini leidde de oppositie tegen het hervormingsbeleid en noemde de sjah in 1963 een ‘ellendige en meelijwekkende man’, waarop hij in de gevangenis werd gegooid. Tijdens protesten werden 15.000 mensen vermoord door veiligheidstroepen, hoewel het regime claimde dat er slechts 32 doden waren gevallen. Khomeini werd na acht maanden vrijgelaten, eind 1964 opnieuw gearresteerd en gedwongen om in ballingschap te gaan. De geestelijke zou tijdens de Iraanse Revolutie vijftien jaar later weer naar zijn vaderland terugkeren.

Khomeini was van mening dat westerse invloeden een plaag waren voor zijn land. Hiervan moest Iran zich bevrijden. Niet het communisme maar de islam was de ware bevrijdingsideologie, die ervoor zou zorgen dat de onderdrukte volken het westerse juk van zich af zouden werpen. volgens Khomeini waren opstand en martelaarschap een integraal onderdeel van de sjiitische islam. Zijn theologie had dus progressieve elementen. Mensen moesten in actie komen, revolutie maken. Bovendien leek het door Khomeini voorgestelde alternatief voor de monarchie, een islamitische republiek die werd ‘bewaakt’ door een raad van geestelijken, op de totalitaire filosofenstaat van Plato. In Plato’s republiek hadden de filosofen als ‘wachters’ de uiteindelijke macht, in Khomeini’s islamitische republiek waren dit de ayatollahs.

Iranian Revolution in Shahyad Square.jpg

Demonstraties en terrorisme

Op 7 januari 1978, precies een jaar voordat de echte revolutie uitbrak, schreef een agent-provocateur van het regime een ingezonden artikel in een Iraanse krant, waarin hij Khomeini een marionet van de communisten noemde. Theologiestudenten uit Qom waren woedend en gingen de straat op, maar hun demonstratie werd door het regime bloedig onderdrukt. De omgekomen studenten werden martelaren en moesten 40 dagen lang worden geëerd, aldus de instructies van Khomeini. Toen de 40 dagen voorbij waren, braken overal in het land onlusten uit, waarbij vooral westerse symbolen (bioscopen, cafés) en regeringsgebouwen werden vernield. De oppositie maakte gebruik van het informele netwerk via moskeeën en bazaars om het verzet te coördineren. Het leger werd ingezet tegen de demonstranten en er vielen veel doden, die door de oppositie weer als martelaren werden vereerd.

De sjah was volkomen verrast door de demonstraties en was lamgeslagen. Het feit dat hij besluiteloos was en geen echte maatregelen durfde te nemen, zorgde er voor dat de revolutie een succes kon worden. Dit doet natuurlijk denken aan de besluiteloosheid van koning Lodewijk XVI, die tot gevolg had dat hij zijn troon (en hoofd) zou verliezen ten tijde van de Franse Revolutie. In plaats van de opstand hard neer te slaan, besloot te sjah de demonstranten tegemoet te komen. Maar ook ging hij verder met zijn pro-westerse hervormingen. Gevolg: de onvrede bleef en de oppositie kon groeien.

Omdat de sjah de demonstranten tegemoet was gekomen en democratische verkiezingen had beloofd voor 1979, werd er voor vier maanden niet gedemonstreerd. Op 19 augustus 1978 was het echter uit met de vrede. Radicale sjiieten pleegden een terroristische aanslag op een bioscoop in Abadan. Ze barricadeerden de deuren toen de bioscoop vol zat en zetten daarna het gebouw in brand. Er kwamen meer dan 400 mensen om. Het was de bloedigste aanslag in de geschiedenis, tot de aanslagen op het WTC en het Pentagon op 11 september 2001. Veel Iraniërs gaven echter de sjah de schuld van de brand en demonstranten riepen op de sjah ook maar te verbranden.

Voice of the Resistance

Aanvankelijk kwam de regering de protesten tegemoet door politieke gevangenen vrij te laten en zelfs corrupte leden van de koninklijke familie strafrechtelijk te vervolgen, maar dit zorgde er alleen maar voor dat de oppositie sterker werd. Op 8 september riep de sjah de staat van beleg uit. Demonstranten gingen toch de straat op en er vielen tientallen doden door politiegeweld. Khomeini, vanuit zijn ballingschapsoord in Irak, beweerde dat er 4000 martelaren waren gevallen.

Onder druk van de sjah besloot Irak Khomeini het land uit te zetten. De islamitische geestelijke vluchtte naar Frankrijk. Dit bleek heel goed voor de oppositie, want Khomeini kreeg opeens veel aandacht in de westerse pers als de Voice of the Resistance. Khomeini ontmoette hier in november 1978 ook Karim Sanjabi, de leider van de Iraanse liberalen. Karim Sanjabi wilde het liefst dat de sjah aanbleef als constitutionele monarch, maar hij zwichtte uiteindelijk voor Khomeini die van mening was dat de sjah moest verdwijnen. Wel kwamen beide heren overeen dat het nieuwe Iran islamitisch en democratisch zou zijn. Maar toen Khomeini eenmaal de macht had veroverd zorgde hij er hoogstpersoonlijk voor dat in de nieuwe grondwet het woord democratie niet voorkwam.

Op 6 november 1978 hield de sjah een televisietoespraak, waarin hij zijn verontschuldigingen aanbood voor zijn fouten en democratische hervormingen beloofde. Hij zei dat de repressieve maatregelen slechts van tijdelijke aard waren. In plaats van de gemoederen tot bedaren te brengen versterkte de sjah met zijn toegeeflijkheid de oppositie, die van zijn zwakheid gebruik wilde maken. Khomeini zei dat er geen verzoening met de sjah mogelijk was. Hij moest weg.

In december 1978 begonnen de Muharram protesten. Demonstranten, vooral jonge koranstudenten, eisten het vertrek van de sjah en de terugkeer van Khomeini uit ballingschap. Daarna gingen ook de seculiere Iraniërs, de liberalen, socialisten en communisten, de straat op. De seculiere oppositiegroeperingen waren euforisch en meenden dat Iran zou veranderen in een democratie. Ze hadden niet door dat ze door Khomeini en de religieuze oppositie werden gebruikt.

De sjah besloot eind december dat er een overgangsregering moest komen. Hiervan moest Shahpour Bakhtiar premier worden, een liberale oppositieleider. Shahpour Bakhtiar wilde echter alleen premier worden als de sjah tijdelijk het land zou verlaten. Op 16 januari 1979 vertrokken de sjah en zijn familie naar Egypte, om nooit meer terug te keren naar hun land. Khomeini werd vervolgens door Bakhtiar uitgenodigd om naar Iran terug te keren. Bakhtiar hoopte dat Khomeini een geestelijke leidsman zou worden, maar onderschatte de ayatollah. Bij zijn terugkomst gaf Khomeini duidelijk te kennen de overgangsregering niet te accepteren. Hij was de leider van Iran. Hij zou de nieuwe regering aanwijzen. Dat was natuurlijk niet de bedoeling van Bakhtiar. Er brak een korte burgeroorlog uit tussen de troepen die loyaal waren aan de sjah (die officieel op vakantie was) en troepen die de kant van de oppositie hadden gekozen. De muiters werden gesteund door communistische milities en demonstranten. Toen de commandant van de Onsterfelijke Garde besloot om neutraal te zijn in het conflict, om zo burgerslachtoffers te voorkomen, viel het regime definitief.

Ali Khameini, de tweede man van de Iraanse ayatollahs, in Qom

Theocratische dictatuur

Khomeini zorgde er al gauw voor dat Iran geen parlementaire democratie werd maar veranderde in een totalitaire theocratie. Zijn machtsbasis was de arme massa, terwijl de seculiere krachten vooral werden gesteund door de middenklasse. Om zijn macht te consolideren werd door Khomeini de Revolutionaire Garde in het leven geroepen, een leger dat loyaal was aan hem en zijn theocratische idealen. Ook maakte Khomeini gebruik van duizenden spionnen, de ogen en oren van de revolutie, die ervoor zorgden dat verzet tegen zijn theocratische regime snel de kop kon worden ingedrukt.

Op 30 en 31 maart 1979 organiseerde Iran een referendum over de vraag of het land moest worden omgevormd tot een islamitische republiek. Hoewel de liberalen en Koerden zich hiertegen verzetten besloot de overgrote meerderheid van de kiezers, 98,2%, in te stemmen met dit plan. Zoals Adolf Hitler op 23 maart 1933 dankzij de Ermächtigungsgesetz alle macht in handen kreeg, zo kreeg ayatollah Khomeini dit dankzij het referendum. Er kwam een islamitische grondwet die in december 1979 door de overgrote meerderheid van het Iraanse volk werd geaccepteerd in een nieuw referendum. De Raad der Hoeders, een islamitisch constitutioneel hof, had de werkelijke macht in Iran handen. De raad had namelijk het recht om wetten, die volgens de raad in strijd waren met de islam of de Iraanse grondwet, te vetoën. Hoewel Iran democratische verkiezingen kent en een minister-president, zorgt deze geestelijke raad ervoor dat Iran op het ‘juiste’ pad blijft.

Khomeini verbood de liberale en linkse partijen en ook de gematigd-islamitische partij van Mohammad Kazem Shariatmadari. De vrije pers werd voorts aan banden gelegd en tijdens de Iraanse culturele revolutie – waar Gloria Wekker en Linda Duits hun vingers bij zullen aflikken – werden de universiteiten gezuiverd van antirevolutionaire smetten. Politieke tegenstanders belandden in de gevangenis en aan de galg. Om Iran gelijk te schakelen werden tienduizenden politieke tegenstanders uit de weg geruimd.

Een geluk bij een ongeluk was de Iraakse invasie in Iran van 22 september 1980. Saddam Hoessein hoopte Iran te kunnen vernederen en van zijn land de grootste regionale macht van het Midden-Oosten te maken. Het gevolg was echter dat de overgrote meerderheid van het Iraanse volk zich achter het leiderschap van ayatollah Khomeini plaatste. Wat de opperste geestelijke leider wederom in staat stelde om de tegenstanders van zijn theocratische dictatuur genadeloos te vervolgen.

 

Besluit

Dat Iran veranderde van een pro-westerse monarchie in een anti-westerse theocratie was te danken aan het weifelende optreden van de sjah, de naïviteit van de linkse, liberale en gematigd-islamitische oppositie en de onverzettelijke koers van Khomeini. De ayatollah mocht dan misschien ook tegen de communisten zijn, hij heeft alles weg van een islamitische Lenin. Net als Lenin wenste Khomeini geen compromissen te sluiten met andersdenkende medestanders en was hij uit om de absolute macht. En net als Lenin wist hij de revolutie te kapen, zodat het ene autoritaire regime werd vervangen door het andere. Revolutionaire euforie, het gevoel dat er verandering in de lucht hangt en de verbeelding aan de macht is, maakte al spoedig plaats voor een flinke kater. Net als de Franse en Russische Revolutie verslond de Iraanse Revolutie al gauw haar eigen kinderen.

 

 

Afbeeldingen: Wikimedia / Wikipedia Commons