Afgelopen week stierf op 91-jarige leeftijd Lee Kuan Yew, een van de belangrijkste leiders die Azië in de twintigste eeuw heeft gehad. Dat is natuurlijk een beetje vreemd, want Singapore was een stadsstaat, en Lee Kuan Yew sprak veel minder tot de verbeelding dan Mao Zedong, Mahatma Gandhi, Pandit Nehru, Soekarno en Ho Chi Minh, allemaal grote nationalistische leiders die zich tegen het Europese kolonialisme verzetten. Niet dat Lee geen Aziaat was, maar hij waardeerde de rol van Amerika in een tijd dat een groot deel van de wereld te hoop liep tegen de Vietnamoorlog en het maoïsme werd geprezen omdat het honderden miljoenen Chinezen van een kom rijst had voorzien.

Lee studeerde aan de London School of Economics, en was socialist, anticommunist en aanhanger van de vrije markt, een bijzondere combinatie waarmee hij Singapore, bij zijn aantreden een arm Aziatisch land, tot een van de rijkste republieken ter wereld maakte. Dat had begin jaren zestig niemand kunnen vermoeden. Na nog even onderdeel te zijn geweest van de Federatie Maleisië, stapte Singapore daar in 1965 uit en werd het een onafhankelijke stadsstaat en lid van het Britse Gemenebest. De stadsstaat groeide uit tot een uniek ontwikkelingsmodel en steunde daarbij op de adviezen van onze landgenoot Albert Winsemius (vader van Pieter, de latere VVD-minister). In de jaren tachtig hoorde Singapore met Hongkong, Taiwan en Zuid-Korea tot de ‘Aziatische tijgers’ die lieten zien dat het Verre Oosten meer was dan Japan alleen. In een tijd dat in het Westen het idee van ‘de maakbare samenleving’ op toenemende scepsis stuitte, bewees Singapore het tegendeel. Een planmatige ontwikkeling in combinatie met goed leiderschap en een efficiënte overheid bleek in de stadsstaat wel degelijk vruchten te kunnen afwerpen.

Dat mirakel wordt nog groter tegen de achtergrond van de gemengde bevolkingssamenstelling van Singapore, een etnische mix van Chinezen, Maleiers en Indiërs die elkaar naar het leven hadden gestaan in een politiek explosieve regio. Niet alleen werd Singapore omringd door islamitische landen, maar ook het communisme leek in de jaren zestig en zeventig in heel Azië nog een kracht van de toekomst. Lee Kuan Yew, een Chinees, was een pragmatisch leider, wars van alle godsdienst en ideologie die zijn republiek wist te depolitiseren. Daarmee was Lee een inspirator voor de grote hervormer Deng Xiaoping, die het ook nooit veel kon schelen welke politieke kleur de kat had, als hij maar muizen ving. Zelf sprak Lee van het succes van een land dat eigenlijk helemaal niet had kunnen bestaan. In een interview met de New York Times in 2007 merkte hij op ‘dat Singapore niet de ingrediënten had van een natie, de elementaire factoren van een homogene bevolking, en een gemeenschappelijke taal, gemeenschappelijke cultuur en gemeenschappelijke lotsbestemming.’ In die zin week Singapore af van Hongkong en Taiwan, kapitalistische enclaves die zich tegenover de Volksrepubliek China moesten zien te handhaven, en Zuid-Korea, dat etnisch homogeen was en zich tegen Noord-Korea afzette. Zulke uitgesproken vijanden had Singapore niet.

Toch had het Singaporese model in het Westen een gemengde pers. Er was (beperkte) waardering voor het economisch succes, maar de stadsstaat werd autoritair en technocratisch bestuurd. De vrijheid van meningsuiting lag aan banden, er heerste een strakke discipline en het bewind was bezeten van één gedachte: werkt het beleid? Hoewel dat niet ongewoon is bij een éénpartijstaat, kon dat voor progressieve westerlingen niet door de beugel, want de partij was niet links en ook niet revolutionair genoeg. Waar het geweld en machtsmisbruik van allerlei Derde Wereldcommunisten werd vergoelijkt, stond Lee – Mister Clean – als enge fatsoensrakker te boek. Ik herinner me nog de spookverhalen over de bekeuringen als je een sigarettenpeukje op straat had gegooid of het toilet niet had doorgespoeld. Op drugsgebruik stonden hoge straffen, voor de seks moest je in Thailand zijn en wie een auto wilde aanschaffen moest ervoor zorgen dat hij eerst een parkeervergunning had.

Dat laatste doet nu erg GroenLinks aan en is de droom van menig progressief stadsbestuur in Nederland, zoals je bij veel verhalen over Singapore aan een ‘reëel bestaande utopie’ moet denken, een eigenzinnige mix van politieke correctheid én incorrectheid. Zo schreef een vriend van mij in de jaren tachtig een enthousiast artikel over Singapore in Intermediair (een weekblad voor gestudeerde mensen), waarin hij opmerkte het helemaal niet erg te vinden om in een superschone metro te reizen. Dat was op de rand, want de kosmopolieten van toen vonden de Derde Wereld juist zo leuk en spannend omdat het er vies, exotisch, druk, lawaaiig en slecht georganiseerd was. In India of Nepal was je met een paar gulden de koning te rijk, waardoor zulke landen fijn low budget waren. Dat gold voor high tech paradijs Singapore allemaal niet. Dat functioneerde nog beter dan thuis. Het openbaar vervoer reed er op tijd, je hoefde geen zakkenrollers of voedselvergiftiging te vrezen, en de mensen waren voorkomend en beleefd. Eigenlijk hield Singapore westerse globetrotters een spiegel voor, want het succes van de stadsstaat was gebaseerd op hard werken en rationeel denken, en niet op de vrijheden die hier vooral ter linkerzijde zo werden gewaardeerd.

Toch moet ook rechts oppassen om Singapore als bewijs van het eigen gelijk te claimen. Dat zit ‘m in de grote rol voor de (kleine) overheid en de terughoudendheid tegenover elk nationalisme dat de ‘burgvrede’ in de multiculturele stadsstaat zou kunnen verstoren. Het pacificatiemodel van de stadsstaat doet een beetje denken aan dat van de Europese Unie, dat ook het onverzoenbare wil verzoenen (al is Europa een continent en steunt de EU op democratische natiestaten die je in Azië niet hebt). Zo’n aanpak werkt zolang het zakelijk een succes is en gunstig afsteekt tegenover de omgeving en de grimmige herinneringen uit het directe verleden. In Singapore weten ze hoe corrupt de rest van Azië is. Indonesië, waar geweldsuitbarstingen tegen Chinezen altijd op de loer liggen, is om de hoek en een halve eeuw geleden waren de economische vooruitzichten voor de stadsstaat ongunstig. Binnen korte tijd is Singapore uitgegroeid tot een van de grootste zeehavens ter wereld, maar continuering van dat succes kan alleen door zich voor de wereldmarkt te blijven openstellen en in het internationale verkeer op eieren te lopen.

Dat betekent dat Singapore ook voor de toekomst tot kosmopolitisme is veroordeeld en slechts kan gedijen bij een hoogopgeleide bestuurselite die jongere generaties en ‘vrijheidslievende patriotten’ elders in de wereld voor ondragelijk en ondemocratisch houden. Je kunt ook zeggen: Singapore zal politiek correct zijn, of het zal niet zijn. De grote leider Lee Kuan Yew paste perfect in dat concept, niet in de laatste plaats omdat hij het zelf had bedacht. Het is niet aan westerlingen daarop kritiek te hebben. Maar voor de Singaporezen van nu, die al hun verworvenheden voor vanzelfsprekend zijn gaan houden, zouden dat keurslijf weleens te knellend kunnen zijn. Wat jammer is, want anders dan bij al die andere producten die het Aziatische model tot zo’n mondiaal succes hebben gemaakt, is een rationalistische wonderdokter van het merk Lee Kuan Yew niet op bestelling leverbaar.