Woensdag 27 juni zou het wekelijkse vragenuurtje van het Vlaamse parlement niet bijzonder worden. Verwacht werden vragen over de mogelijke droogte en over enkelbanden. Parlementair handwerk, niet spectaculair. Tot gelijk bij aanvang een motie ingediend werd, omdat de wijze waarop het gewest Brussel een cumulatieverbod wil invoeren indruist tegen het Lombardakkoord.

Voor wie de vorige zin vragen oproept, volgt hieronder uitleg.

 

Cumuleren: goed of slecht voor de democratie?

In Nederland is het ondenkbaar dat een burgemeester, wethouder of commissaris der koning ook nog Kamerlid of minister is. Heel misschien zou lidmaatschap van de Eerste Kamer mogelijk zijn, maar in principe hebben politici maar één mandaat tegelijk.

In België (en in Frankrijk) is het echter gangbaar om politieke ambten te cumuleren (‘opstapelen’). Een schepen (wethouder) kan ook volksvertegenwoordiger zijn in één van de parlementen, een burgemeester kan zelfs gelijktijdig minister zijn. In het laatste geval is de politicus slechts nog in naam burgemeester, terwijl hij zich door een ander laat vervangen. De Vlaamse liberaal Patrick Dewael liet zich als burgemeester van Tongeren vervangen toen hij minister werd, net als de Waalse socialist Elio Di Rupo, burgemeester van Bergen, toen hij Belgisch premier werd.

Dit systeem heeft voordelen en nadelen. Voordeel is dat kiezers van een lagere bestuurslaag een directe vertegenwoordiger in een hogere bestuurslaag hebben. Een gemeenteraadslid, schepen (wethouder) of burgemeester die ook parlementslid is, kan de gemeentebelangen kenbaar maken. Omgekeerd krijgen hogere bestuurslagen direct mee wat leeft onder de burgers. Bovendien maakt het politici onafhankelijker. Een parlementariër die ook burgemeester is kan moeilijker door het partijbestuur op een zijspoor gezet worden. Ministers treden – in theorie – makkelijker af als ze kunnen terugvallen op een ander mandaat.

Het nadeel is dat de politieke ambten door een kleiner aantal personen uitgeoefend wordt. In België leeft sterker en langer het gevoel dat politiek iets is voor een kaste van beroepspolitici, niet van burgers die zich inzetten voor de samenleving. Een gevoel dat versterkt wordt doordat veel politici kinderen zijn van eerdere politici. Het kan de democratische controle bemoeilijken, omdat een politicus zijn/haar eigen standpunten op meerdere niveaus tegelijk kan verwezenlijken. Het kan cliëntelisme en corruptie in de hand werken.

De voor- en de nadelen zijn lastig aan te tonen. In 2016 en 2017 kwamen in Brussel en Wallonië politici onder vuur te liggen. Naast hun politieke ambten bekleedden ze functies in semipublieke organisaties – met hoge vergoeding voor weinig inspanning, als ze al op kwamen dagen bij vergaderingen. Uit verontwaardiging daarover is nu wetgeving in de maak om het cumuleren van ambten te verbieden, decumulatie. Maar ontstond de corruptie door de cumulatie of doordat Wallonië tientallen jaren feitelijk een één-partij-staat was, met de socialisten als dominante partij? Wordt met een volledig cumulverbod het kind met het badwater weggegooid, omdat de positieve aspecten ook verloren gaan?

In de deelstaat Brussel bestaat bij de Franstalige volksvertegenwoordigers een meerderheid voor het cumulatieverbod, niet bij de Nederlandstalige. Volgens een onderdeel van de vijfde staatshervorming van 2001, het Lombardakkoord, moeten beide gemeenschappen akkoord gaan. Er zit echter een achterdeur in die staatshervorming, waardoor bij tweede stemming geen meerderheid bij volksvertegenwoordigers van beide taalgroepen, maar enkel een meerderheid in het deelstaatparlement vereist is. Van die regeling wil het gewest Brussel nu gebruik maken.

 

Communautaire kwesties: spanning tussen Vlamingen en Walen

Zestig procent van de Belgen is Nederlandstalig, veertig procent Franstalig. Dat weerhield de Franstaligen er niet van om van de Belgische onafhankelijkheid van Nederland (1830/1831) tot aan de jaren zestig het Nederlands als minderwaardig te beschouwen en dus de Vlamingen als tweederangs burgers. Lang bestond er niet eens middelbaar onderwijs in het Nederlands.

In de jaren zestig en zeventig kwam het tot spanningen tussen de twee gemeenschappen. Nadat in 1962 de taalgrens werd vastgelegd, volgden vanaf de jaren zeventig maar liefst zes staatshervormingen. Sinds begin jaren negentig is België formeel een federale staat: boven de deelstaten Vlaanderen, Brussel en Wallonië staan een federale regering en parlement.

Een groot twistpunt is en blijft Brussel. Het ligt namelijk niet op de taalgrens, maar ten noorden daarvan. Brussel, formeel tweetalig, is een enclave binnen Vlaanderen. De meeste Brusselaars spreken Frans.

Walen vormen een minderheid in België, Nederlandstaligen in Brussel. De communautaire kwesties – alles wat de verhouding tussen de twee bevolkingsgroepen aan gaat – zijn mede daarom zo ingewikkeld. Walen willen niet in eigen land gedomineerd worden door Vlamingen en kunnen dit mede voorkomen doordat Brussel overwegend Franstalig is. Als Vlamingen Brussel niet bij Vlaanderen kunnen krijgen, willen ze als troost dat daar de rechten van de Nederlandstaligen niet aangetast worden.

Een ingewikkeld steekspel dat extra bemoeilijkt wordt door de politiek. Een tweede reden waarom België federaliseerde, was het verschil in stemgedrag. Vlaanderen stem rechts, Wallonië links. In de twintigste eeuw was Vlaanderen feitelijk een één-partij-staat waarin de confessionele CVP de lakens uitdeelde, zoals de socialistische PS dat deed in Wallonië. Liberalen bleven klein, maar net groot genoeg om zelfstandig te zijn. De Vlaamse socialisten en de Waalse christen-democraten konden echter enkel door protectie van de grote anderstalige zusterpartij in de regering komen.

Door federalisering kon in de eigen deelstaat beleid gevoerd worden dat recht deed aan de verkiezingsuitslag. Landelijk zouden de tegengestelde partijen elkaar maar blokkeren.

 

Fel debat

Bij het indienen van een motie krijgen sprekers maximaal een half uur spreektijd per partij. Bij dit debat wisselden principiële standpunten en praktische bezwaren door elkaar heen, waardoor de emoties hoger opliepen dan anders.

De Vlaams-nationalistische N-VA diende een motie in om namens Vlaanderen bezwaar te maken tegen het besluit van de deelstaat Brussel. Indien het cumulatieverbod in tweede stemming aangenomen werd, zou immers afstand genomen worden van een wezenlijk onderdeel van de vijfde staatshervorming: dat bij constitutionele wijzigingen beide gemeenschappen in meerderheid akkoord moeten gaan. Van de Vlaamse partijen in Brussel is de meerderheid tegen, alleen de sociaal-democraten en de Groenen steunden het (maar bij de tweede stemming is dat voldoende voor een parlementaire meerderheid in het gewest Brussel).

In het Vlaamse en in het federale parlement worden de zetels verdeeld via provinciale kieskringen. Iedere provincie vaardigt een aantal volksvertegenwoordigers af en deze worden verdeeld naar het aantal stemmen binnen de provincie. Aangezien Vlaanderen geen cumulatieverbod wil invoeren, zouden de Vlamingen die vanuit Brussel worden afgevaardigd als enigen geen andere ambten mogen bekleedden. Een verzwakking van hun positie ten opzichte van hun collega’s.

De groenen zijn echter al vanaf hun ontstaan eind jaren zeventig tegen het combineren van politieke ambten. Ze zien liever dat een groter aantal burgers deel kan nemen aan het bestuur. Bovendien zijn veel ambten bedoeld als voltijdsfunctie: hoe kun je daarvan twee combineren zonder dat het werk eronder lijdt? De sociaal-democraten hebben zelfs eenzijdig een cumulverbod ingevoerd: hun politici mogen vanaf de volgende verkiezingen nog maar één ambt tegelijk uitvoeren. De tijd zal leren of dit een goed voorbeeld zal vormen of dat ze hiermee juist achterstand zullen opbouwen ten opzichte van partijen die wel cumuleren.

Groenen en sociaal-democraten behoren in Vlaanderen tot de oppositie. De drie regerende partijen – Vlaams-nationalisten, christendemocraten en liberalen – vinden dat functies gecombineerd mogen worden. Het is lastig in te schatten of dit puur principieel is, of dat meespeelt dat partijprominenten zelf functies combineren. De liberale burgemeester van Mechelen, Barts Somers, is tevens Vlaams parlementslid. Burgemeester van Tongeren Dewael is liberaal fractievoorzitter in de federale Kamer.  N-VA-partijvoorzitter Bart De Wever, sinds 2012 burgemeester van Antwerpen, was in 2014 lijsttrekker bij de landelijke verkiezingen.

Vooral de groenen spraken in dit verband van ‘postjes pakken’ en ‘baronnen’. Liberaal parlementslid Jo de Ro, schepen in Vilvoorde, voelde zich beledigd. Hij wees erop dat posten ook uit overtuiging gecombineerd kunnen worden.

 

Achilleshiel?

De drie regeringspartijen kwamen net vijf zetels te kort om de motie aangenomen te krijgen. Er was echter nog een oppositiepartij.

 

Het probleem: dit was het Vlaams Belang.

Het Nederlandse kabinet Van Agt/Wiegel (1977-1981) had een soortgelijk probleem. Een aantal linksgeoriënteerde leden van de CDA-fractie, de ‘loyalisten’ had moeite met het rechtse kabinet en wilde het slechts voorwaardelijk steunen. Omdat de kleine christelijke partijen en de Boerenpartij het kabinet doorgaans steunden, hoefde de dit geen reële dreiging voor het kabinet te vormen – als in diezelfde jaren niet ook de kwestie speelde van het wel of niet plaatsen van kruisraketten. Indien de regering bij zo’n belangrijk onderwerp niet voldoende had aan de eigen coalitie, zou de afgang te groot zijn om door te regeren – reden te meer om het plaatsingsbesluit over de kabinetsperiode heen te tillen.

Tegen het Vlaams Belang bestaat nog altijd een cordon sanitair. Het Lombardakkoord is indertijd mede ingevoerd met het oog op het steeds groter wordende Vlaams Blok, dat de grootste partij van Vlaanderen leek te worden. Door in te bouwen dat binnen het federale systeem de ene deelstaat niet eenzijdig besluiten kon nemen die de bevoegdheden van overige regeringen inperkten, zou de invloed van het beperkt blijven. Nu deden gevestigde partijen beroep op het Vlaams Belang om die noodklep te activeren. De ironie ontging de spreker van het Belang niet, toen deze steun verleende aan het beschermen van de rechten van Vlamingen in Brussel.

Nu de motie aangenomen is, heeft het gewest Brussel twee maanden de tijd om daarop te regeren. Die periode zal vermoedelijk pas ingaan na het zomerreces, in oktober worden gemeenteraadsverkiezingen gehouden. Het Brusselse voorstel is al getoetst door staatsrechtgeleerden, dus het is vooral uitstel, in de hoop dat daarmee afstel volgt.

Zowel de partijen die van de cumul af willen als degenen die het – met beroep op de rechten van de Vlaamse minderheid in Brussel – in stand willen houden hopen daarmee te scoren in het komende verkiezingsjaar. Mei 2019 wordt ook gestemd voor het landelijke parlement, het deelstaatparlement en het Europese parlement.

 

Uitgelichte afbeelding: Wikimedia / Wikipedia Commons