Asymmetrische oorlogsvoering: het buzzword van de afgelopen jaren. Putin maakt zich er schuldig aan, Islamitische Staat evenzeer en jawel, ook Westerse landen zelf zijn er stiekem helemaal niet vies van. Maar wat is het precies en belangrijker: wat moeten we ermee? In dit drieluik worden beide vragen beantwoord. Vandaag deel 2: hoe reageren Westerse regeringen op deze nieuwe ontwikkelingen en welke lessen kunnen we trekken uit de interventies in Afghanistan en Irak?

Zoals in het vorige deel uitgebreid besproken, is een verandering zichtbaar in de aard van conflicten. Het aantal interstatelijke conflicten (oorlog tussen twee staten) is afgenomen terwijl het aantal burgeroorlogen, al dan niet met buitenlandse interventie, toeneemt. Hoewel het aantal oorlogsdoden afneemt (let wel: in deze getallen zijn geen genocides opgenomen), zijn dergelijke cijfers wel lastiger te bepalen in asymmetrische en hybride conflicten. Wanneer twee legers elkaar treffen op een slagveld is het aantal gerelateerde slachtoffers makkelijker in kaart te brengen dan wanneer in een burgeroorlog guerrilla-achtige tactieken worden toegepast door gewapende milities.

De afname in interstatelijke conflicten betekent dus nadrukkelijk niet dat er geen oorlogen meer worden uitgevochten. Simpel gezegd zijn er drie beleidsopties in geval van conflict: all out interveniëren (zoals in Afghanistan en Irak), niet interveniëren (zoals in Syrië) en allerhande tussenoplossingen (zoals economische sancties of het bewapenen van rebellen). Deze opties zullen hieronder worden besproken, evenals welke lessen er uit te trekken zijn.

Interveniëren

In termen van financiën en oorlogsdoden heeft het Westen na de Tweede Wereldoorlog veel kostbaardere conflicten uitgevochten (zoals Korea en Vietnam), maar in vergelijking met de frequente, kleinschalige VN-interventies in de jaren ’90 waren de kosten van de interventies in Afghanistan en Irak torenhoog. Tegelijkertijd lijken de resultaten bijzonder magertjes. U kent het beeld inmiddels wel. Na een tussenperiode waarin de overwegend sjiitische regering van al-Maliki niet in staat bleek voor stabiliteit te kunnen zorgen, heeft Islamitische Staat inmiddels een ‘kalifaat’ gesticht. De organisatie levert op dagelijkse basis strijd met een bonte verzameling aan troepen, waaronder in de Westerse media zwaar onderbelichte sjiitische milities. In het nog altijd door en door corrupte Afghanistan zijn de Taliban en het Haqqini netwerk bezig met een opmars. Tegelijkertijd bevechten zowel in Afghanistan als in Irak diverse soennitische milities elkaar, niet in de laatste plaats met nieuwe aanwas als inzet. IS heeft een rekruteringsprobleem en probeert ook in Afghanistan voet aan de grond te krijgen. De Taliban probeert daar een stokje voor te steken, evenals de Verenigde Staten die vorige maand bij een drone-aanval de door IS gerekruteerde Afghaan, Abdul Rauf Aliza, uitschakelden.

Daarnaast is de invloed van Amerika en diens coalitie in de regio minder groot dan zij zelf hoopt. Een groots aangekondigd offensief van het Pentagon op Mosul (een van de belangrijkste en grootste IS-steden in Irak) ontplofte in het gezicht van het ministerie. Iraakse hoge officieren waren niet geïnformeerd en voelden zich in hun hemd gezet. Toen afgelopen week sjiitische milities samen met soennitische strijders en de Iraakse krijgsmacht aan een offensief op Tikrit begonnen, ging het hardnekkige gerucht dat de Amerikanen daardoor nogal werden verrast.

 

Langetermijn scenario’s

Genoeg lessen uit deze interventies te trekken dus. Maar welke? Zoals Max Boot beargumenteerde in Foreign Affairs vorig jaar, zijn deze in principe helder. Als dan toch zo nodig all out moet worden gegaan, zorg dan voor een planning voor na het bereiken van initiële doelen. Klinkt zo simpel. Toch zijn de chaos en het machtsvacuüm die ontstonden na de Val van Saddam en Khadaffi een direct resultaat van het ontbreken van een langetermijn scenario geweest. Enigszins gechargeerd kwam de planning in de praktijk niet veel verder dan de drietrapsraket: zet een regering neer, zorg voor verkiezingen en hoppa – democratie geïmporteerd, missie geslaagd en wegwezen. Nu is het ook gemakkelijker gezegd dan gedaan om een werkende langetermijn visie mee te brengen. Ieder plan sneuvelt bij het eerste vuurcontact, is een basisles die iedere infanterist meekrijgt. Maar als de kans op het structureel verbeteren van de situatie nihil is, kan beter van interventie worden afgezien. Anders gezegd, de tijden dat gemakkelijk kan worden gedacht over grootschalige interventies ligt inmiddels (hopelijk) wel achter ons.

Westerse democratieën willen graag snelle, succesvolle (en dus relatief schone) oorlogen. Hoe langer een oorlog duurt, des te slechter dit is voor de regering. Gevolg hiervan is dat regeringen er vaak voor kiezen om een zo klein mogelijke voetafdruk achter te laten in het te interveniëren land. Zo dachten de Amerikanen in Irak in 2004 dat hoe sneller zij zouden terugtrekken en verkiezingen zouden kunnen uitschrijven, des te sneller de Irakezen het heft in eigen hand zouden kunnen nemen en verantwoordelijkheid voor het land zouden gaan dragen. Deze strategie is achteraf naïef gebleken. Dat terwijl er juist te lang aan werd vastgehouden: generaals koppelden hun ego aan de door henzelf uitgedachte (en overduidelijk falende) strategie en negeerden tekenen die er op wezen dat ze er naast zaten. Dit staat bekend als ‘confirmation bias’: alleen die informatie die de eigen aannames bevestigen wordt voor waar aangenomen. Zeker in Irak liet de besluitvorming een ‘escalated commitment’ zien: de (politieke) kosten om toe te geven dat er in het verleden verkeerde keuzes zijn gemaakt werden hoger geacht dan de reële kosten van oorlog, in termen van geld en soldatenlevens.

Chaos

Asymmetrische en hybride conflicten – zoals het huidige conflict in Oekraïne – verlopen vaak erg chaotisch. Het is in die gevallen moeilijk om zaken in eigen hand te houden. Dat is geen reden om niet ver vooruit te plannen. Dat geldt zeker ook voor de NAVO. In deel 1 van dit drieluik stelden wij de vraag in hoeverre artikel 5 toepasbaar is binnen asymmetrische conflicten. De alliantie denkt daarover zelf ook na en heeft een goede stap gezet met de oprichting van een flitsmacht, waarbij Nederland een belangrijke voortrekkersrol speelt. Terughoudendheid van de NAVO in het Oekraïense conflict is ook begrijpelijk, aangezien het land geen lid is. Het valt te hopen dat de flitsmacht geen zoveelste papieren tijger blijkt en dat doortastend ingrijpen onder artikel 5 volgt als de situatie daarom vraagt. Bijvoorbeeld wanneer de Baltische staten de volgende zijn die in de hybride houtgreep van Putin worden gelegd.

Niet-interveniëren

Ook als wordt besloten niet te interveniëren, is daarmee door het hybride karakter van asymmetrische conflicten de kous nog lang niet af. Terroristische aanslagen in westerse landen laten zien dat de kaders van het slagveld steeds verder zijn opgerekt. Het vermengen van binnen- en buitenlandse veiligheid maakt, los van de interventiepolitiek, dat we rekening zullen moeten houden met een wijzigend dreigingsbeeld.

Rekening houden met is overigens wel iets totaal anders dan complete paniek. Wij dienen ervoor te waken dat potentiële terroristen niet worden neergezet als demonisch capabele en almachtige sadisten. Als dit namelijk het geval zou zijn geweest, hadden wij de afgelopen 15 jaar te maken gehad met veel meer terroristische aanslagen op Westers grondgebied. ‘De terrorist’ bestaat niet: niet elke Afrikaan of Arabier met een kalasjnikov op een truck die “Allahu Akbar” schreeuwt is een terrorist met internationale aspiraties, waaronder de algehele vernietiging van het Westen. Toch wordt wel vaak op dusdanige manier gereageerd, zo blijkt ook uit de misplaatste hysterie omtrent het Somalische Al Qaeda-filiaal Al Shabaab: een regionale, nationalistische soennitische militie, waarvan de voetsoldaten bar weinig hebben met dat hele ‘global jihad’-gebeuren. Al Shabaab is vooral bezig met het uitmoorden van rivaliserende clans in eigen regio, een tweede IS is het niet.

Doorgeslagen

Daar waar het gevaar van Al Qaeda systematisch is onderschat voor 9/11 lijkt het wel alsof politici, maar ook burgers, tegenwoordig compleet zijn doorgeslagen naar de andere kant. Terroristen en terreurorganisaties worden systematisch bovennatuurlijke krachten toegeschreven na iedere scheet die zij laten. Uiteraard wordt dit beeld gevoed door een hele batterij aan ‘terreurdenktanks’, analisten en ambtenaren die er baat bij hebben om een publieke en private anti-terreurindustrie in stand te houden. Zeggen dat de dreiging niet zo dringend is als we aannemen komt feitelijk neer op een pleidooi waarin deze zelfbenoemde professionals zichzelf overbodig maken. Van weinig personen kun je verwachten dat zij dit zullen doen: als mensen financieel (maar ook sociaal) afhankelijk zijn van een zeker geloofssysteem, zullen zij hier minder snel kanttekeningen bij plaatsen.

Zolang men op iedere aanslag reageert alsof het een (inter)nationale ramp betreft en de terreurdreiging blijft hypen om daar voordeel uit te halen, ontstaat dreigingsinflatie. Hier speelt de mondige burger-expert een duidelijke rol in. Mensen roepen om maatregelen en willen daadkrachtige politici zien. Ondoordacht gehoor geven aan die oproep is onwenselijk. Een van de doelen van terroristen (laten we wel wezen, terreur blijft een tactiek van de underdog) is ervoor zorgen dat regeringen gekke dingen gaan doen, paniekerig worden en meehelpen in het creëren van een angstcultuur. Op deze manier kunnen terroristen voordelen behalen die anders buiten hun bereik waren gebleven gezien hun ondergeschikte strategische positie. Het onderschatten van de voordelen van gerichte opsporing, gecombineerd met het overschatten van de mogelijkheden van grootschalig afluisteren van burgers door grondrecht-schendende NSA, GSHQ en AIVD-programma’s brengen ons een stap dichter bij een politiestaat.

Dat terwijl de effectiviteit van het blindelings afluisteren van burgers nihil is. Zo kwam de New America Foundation tot de conclusie dat traditionele onderzoeksmethoden (informanten, tips vanuit de lokale gemeenschap en gerichte opsporing) verantwoordelijk zijn voor het merendeel van de opgeloste zaken, terwijl de bijdrage van de NSA-surveillance minimaal was. Waarom? Omdat het zoveel data (telefoongesprekken, creditcardgegevens, reisgegevens, verzekeringsgegevens, internetgedrag en ga zo maar door) betreft, dat het een haast onmogelijke klus is om hier efficiënt mee om te gaan. Inlichtingendiensten hebben alle informatie, waaronder de juiste, wordt wel eens gekscherend gezegd. Die enorme hoeveelheden informatie zijn handig als je weet waar je naar zoekt, maar daar is weer gerichte opsporing voor nodig. Zelfs als perfecte opsporingstechnieken worden gehanteerd blijft een restrisico bestaan. Ook bij terrorisme gaat het uiteindelijk om een kosten-baten afweging. Koste wat het kost – zelfs ten koste van onze grondrechten – aanslagen voorkomen is een geen (gezonde) strategie.

Nuchter beleid rust ook op de kunst om niet te paniekerig op controleverlies te reageren. Een paar Britse mafklappers die in 2006 gewapend met gekke ideeën en explosieve vloeistof in een vliegtuig stapten (en overigens werden tegengehouden) zorgden ervoor dat iedere burger voortaan zijn of haar flesje vloeistof moest afstaan. Hiermee leveren wij vrijheden in voor de illusie van controle. Risico kun je berekenen, onzekerheid niet. Wat een risicoloze samenleving wordt genoemd, is een situatie waarin wij alle middelen inzetten die er bestaan om onzekerheid weg te nemen – iets wat feitelijk onmogelijk is. Hierdoor lijken Westerse landen niet altijd meer in staat om risico’s (die je dus kunt berekenen) op waarde te schatten en daar rationeel mee om te gaan. Gevolg: bij elk teken van onheil wordt direct het hele veiligheidscircus uit de kast getrokken, want je kunt tenslotte “niet voorzichtig genoeg zijn”. Feit is nu eenmaal dat wij allen dagelijks risico’s lopen en dat nare gebeurtenissen onderdeel zijn van het leven.

Zeker, het bevorderen van de veiligheid van onze samenleving is wel degelijk een belangrijke taak van de overheid. Zelfs één van de belangrijkste. Maar dat betekent niet dat men daarin moet doorslaan. Veiligheidsbeleid dient rationeel en nuchter te zijn, waarbij kosten en baten op basis van verstand worden afgewogen en een zekere mate van flexibiliteit wordt gehandhaafd. De keuze beperkt zich immers zelden tot ‘helemaal niets doen’ of ‘een totale noodsituatie afroepen’. Een bepaald niveau aan risico’s dient bij alle dreigingen geaccepteerd te worden om de samenleving gezond en leefbaar te houden. De belangen van de burger dienen daarbij altijd voorop te staan. Dit betekent dus ook op de juiste momenten tegen de burger durven zeggen dat hij zich niet moet aanstellen. Dat er niet onder elke jurk een bomgordel zit, en dat de kans dat hij verdrinkt in bad velen malen groter is. Het is verleidelijk mee te gaan in het hijgerige “het zou ook hier kunnen gebeuren”-gehype, maar beleidsmakers hebben de verantwoordelijkheid nuchter naar zaken te blijven kijken.