De ‘witte’ historicus en rechtse cynicus Ewout Klei onderwerpt Nederland mijn vaderland van de ‘zwarte’ historicus en linkse hemelbestormer Zihni Özdil aan de kritiek van de zuivere rede.

In de discussies over ‘institutioneel racisme’ en ‘wit privilege’, waar onze vaderlandse media tegenwoordig zo dol op zijn, speelt Zihni Özdil een belangrijke rol. Zihni Özdil mag je geen Turk noemen. Dat zal ik in mijn column dan ook niet doen. De Nederlandse historicus Zihni Özdil heeft een pamflet over Nederland geschreven. Nederland mijn vaderland heet dit pamflet. Het gaat over Zihni Özdils moeizame verhouding met zijn vaderland Nederland, dat hij door en door racistisch vindt. Waarom is dit pamflet zo slecht? En waarom is dit pamflet tegelijkertijd zo goed?

Amerikaanse toestanden

Nederland mijn vaderland is de titel van een racistische Facebookpagina waar onbeschaafde ‘autochtone’ Nederlanders hun gal spuwen over ‘allochtone’ Nederlanders en vluchtelingen. Özdil heeft bij wijze van grap zijn boek naar deze Facebookpagina genoemd, omdat volgens Özdil alle ‘witte’ Nederlanders racistisch zijn. Fatsoenlijke ‘witten’ zijn dat ook, maar hun racisme weten ze beter te verbergen. Zo zijn progressieve media volgens Özdil in werkelijkheid ‘witte’ media, waar ‘zwarten’ alleen gevraagd worden voor hun mening over multiculturele kwesties, maar nooit over andere zaken. Özdil heeft de heilige taak op zicht genomen om dit Nederlandse racisme, dat bestaat uit ‘institutioneel racisme’ en ‘wit privilege’, te ontmaskeren en ‘witten’ tot een openbare schuldbelijdenis te dwingen, zodat Nederland ook Özdils vaderland wordt.

Het begrip ‘institutioneel racisme’ is bedacht door de radicale Black Panthers Stokely Carmichael en Charles Hamilton. Het begrip is niet bedoeld als neutraal wetenschappelijk gereedschap om de werkelijkheid mee te analyseren, maar is net als de term ‘discours’ van Michel Foucault en de term ‘oriëntalisme’ van Edward Saïd een ideologisch wapen in het politiek-maatschappelijke debat. Met het begrip ‘institutioneel racisme’ moet de status quo in de samenleving worden bestreden, machtsstructuren worden ontmaskerd. Het is een revolutionair begrip.

Philomena Essed heeft het begrip in Nederland geïntroduceerd. Özdil vindt dat Essed gelijk heeft, want ze is nu hoogleraar aan de Antioch University in Californië. Deze redenering is een klassiek voorbeeld van de argumentum ad verecundiam, de autoriteitsdrogreden. Het feit dat iemand professor is betekent niet dat die persoon gelijk heeft. Ook wetenschap heeft het soms bij het verkeerde eind. Het aardige van echte wetenschap is dat alles ter discussie gesteld mag worden, mits je maar zuiver argumenteert en beweringen kan staven met bewijzen. Dit is echter iets wat activistische wetenschappers als Essed en Özdil absoluut niet doen. Wetenschap is bij hen geen doel op zichzelf, om kennis te vergaren, maar een middel. Het doel is revolutie.

Hetzelfde geldt voor het begrip ‘wit privilege’, dat een vertaling is van het Amerikaanse begrip ‘white privilege’. Hiermee wordt bedoeld dat ‘witten’, de blanken, bevoorrecht zijn, per definitie, en dat zij die dat weigeren te erkennen racistisch zijn. ‘Witten’ moeten worden opgeroepen tot bekering en berouw. ‘Wit privilege’ is veel meer nog dan de term ‘institutioneel racisme’ een dogma, een heilig leerstuk in de linkse bevrijdingtheologie die antiracisme heet.

Özdil, die een tijd in de Verenigde Staten heeft gestudeerd, past Amerikaanse begrippen en Amerikaanse toestanden zomaar op de Nederlandse situatie toe, zonder rekening te houden met de specifieke context hier. In de Verenigde Staten is er al eeuwenlang een diepe tegenstelling tussen ‘wit’ en ‘zwart’, wat natuurlijk alles te maken heeft met de slavernij in het zuiden en de rassendiscriminatie daar. In de Verenigde Staten wonen 42 miljoen zwarten, op een bevolking van 321 miljoen. Meer dan 13% is dus zwart. Ter vergelijking: in Nederland wonen zo’n 330.000 Surinaamse Nederlanders (inclusief de Hindoestanen) en 140.000 Antilliaanse Nederlanders. Samen maken zij nog geen 3% van de Nederlandse bevolking uit. De Surinamers en Antilianen zijn vanaf de jaren zeventig in de twintigste eeuw naar Nederland geëmigreerd. Voor die tijd woonden er nauwelijks zwarten in Nederland.

De Nederlandse context wil ik graag illustreren aan de hand van Donald Jones, de eerste zwarte ster in Nederland. Jones, geboren en getogen in de zwarte New Yorkse wijk Harlem, emigreerde in 1954 naar Nederland om aan het racisme in zijn vaderland te ontsnappen. In de Verenigde Staten ervoer hij rassendiscriminatie, in Nederland werd hij geaccepteerd als een grappige zwarte, die vooral ‘anders’ was. Tegen een journalist van de Groene Amsterdammer vertelde hij in 1999:

‘Ik was een ‘oddity’. Een vreemd ding. Je kon het aanraken en je kon ermee praten. Ik liep een keer door de Leidsestraat en ik voelde ineens een hand door mijn haar. Ik schrok me lam. Waren het meisjes, ze zeiden: ‘Sorry meneer, we wilden even voelen’.’

Donald Jones en dit tragikomische voorval komen in het boek van Özdil niet voor. Het ontkracht namelijk zijn betoog, dat de situatie in de Verenigde Staten een-op-een met Nederland te vergelijken is, en dat Nederland veel van Amerika kan leren. Özdil beweert zelfs doodleuk dat Surinamers en Antilianen meer Nederlander zijn dan Limburgers, omdat de koloniën eerder bij Nederland hoorden dan de provincie Limburg. Aardig bedacht natuurlijk, maar de koloniën lagen duizenden kilometers verderop en de zwarte inwoners kwamen zelden tot nooit in Nederland.

Toch houdt Özdil wel een klein beetje rekening met de Nederlandse context. Hij vat de term ‘zwarten’ cultureel op, zodat ook Marokkanen (uit Noord-Afrika, met enige creativiteit zijn zij ook ‘zwart’), Turken en andere ‘allochtonen’ met een islamitische achtergrond hier bij horen. ‘Zwart’ is een soort van geuzennaam geworden, waar iedereen die ontevreden is over Nederland en zichzelf heel erg zielig vindt zich mee mag tooien. ‘Wit’ is daarentegen een scheldwoord. Arzu Aslan, een aantrekkelijke Amsterdamse studente die niet zwarter is dan een ‘autochtone’ Nederlander die net terug is van zijn vakantie in Spanje, hekelt de Amsterdamse gemeenteraad die volgens haar ‘spierwit’ is. Spierwit. Het klinkt eng. Het klinkt vies. Maar je mag van haar en andere Özdil-epigonen geen kritiek op dit rancuneuze racisme hebben. ‘Reverse racism’ bestaat namelijk niet volgens de nieuwe gedachtepolitie. Daarom is deze term nog niet in het Nederlands vertaald.

Free your Mind

Gedachtepolitie. Ik heb het woord laten vallen. Natuurlijk is Zihni Özdil vrij in het schrijven van zijn ideologische schotschrift, maar vanwege de apodictische toon en het verketteren van andersdenkenden (‘witten’, ‘racisten’) kun je het niet echt een bijdrage tot het debat noemen. Özdil preekt voor eigen parochie, de nieuwe ‘zwarte’ media-elite die zich heel erg als de underdog profileert maar eigenlijk overal een platform krijgt en ideologische tegenstanders de mond probeert te snoeren. Het gaat Özdil, en dat neem ik als aanhanger van Machiavelli en Nietzsche hem ook helemaal niet kwalijk, om een Wille zur Macht. Wat ik wel jammer en bovendien erg irritant vind is dat Özdil en zijn medestanders dit doen uit rancune en hopen dat ‘wij’, de vermaledijde ‘witten’, ons schuldig gaan voelen. Dat werkt misschien bij ons moraalbiggetje Asha ten Broeke, maar niet bij mij. Onze ‘zwarte’ vrienden hebben groot gelijk dat ze een plekje in het publieke domein opeisen, maar als je serieus genomen wil worden moet je je ook een beetje gezellig gedragen. Het ‘Go fuck yourself’ van Nadia Ezzeroili, de mediaoptredens van Sylvana Simons, de radicalisering van Tofik Dibi, allemaal prima hoor, maar ik kan en wil hier geen respect voor opbrengen. Respect moet je verdienen.

Is het alleen maar slecht wat Özdil schrijft? Nee, toch niet. Özdil is terecht kritisch op de fanatiekere antiracisten die kleine kinderen en oude omaatjes intimideren omdat ook deze ‘witten’ volgens het antiracistische dogma ook vieze vuile racisten zijn. In tegenstelling tot Quinsy Gario, onze wannabe Malcolm X, vindt Özdil niet dat alle middelen geoorloofd zijn. Özdil neemt afstand als het moet.

In zijn boek trekt Özdil bovendien flink van leer tegen de multiculturele progressieven, die volgens hem een apartheid hebben ingevoerd. Deze gedachte vind ik erg interessant, omdat er volgens mij veel waars in zit. Onze vriendinnen van GroenLinks aanbidden met de mond de ‘nobele wilde’, waarvoor ze op de knieën gaan. In werkelijkheid geloven deze multicultifeministen uiteraard helemaal niet in hun ideaalbeeld, vandaar dat Femke Halsema haar kinderen zo snel mogelijk van de ‘zwarte school’ haalde, een voorbeeld dat Zihni Özdil helaas niet in zijn boek noemt. Volgens Özdil leidt respecteren en stimuleren van andere culturen tot apartheid. Mensen bewegen zich alleen in hun eigen kringetje en weten zich niet te ontwikkelen. Özdil houdt niet van pappen en nathouden en heeft daarom ook veel liever mensen die openlijk de confrontatie aangaan, want dan ben je tenminste eerlijk tegen elkaar.

Ergens doet Özdil mij, vanwege zijn rol als hemelbestormer, denken aan wijlen Pim Fortuyn. Nederland mijn vaderland rijmt op Fortuyns pamflet Aan het Volk van Nederland, waarin ook werd verteld waarom het met ons land zo veel beter kan. Net als Fortuyn gedraagt Özdil zich als een goeroe, provoceert hij, onderscheidt hij zich van de massa, ook van de groep waar hij vandaan komt en vermengt hij bewust privé en publiek (Fortuyn was katholiek en daarna homo met een uitgesproken voorkeur voor jonge Marokkaanse jongens, Özdil is een bierdrinkende ex-moslim die vertelt dat hij achter ‘witte’ meisjes aanzit). Het feit dat anderen Özdil ‘demoniseren’ is het bewijs van zijn grote gelijk en stelt hem in de gelegenheid de rol van martelaar te spelen, net als Fortuyn. De grote vijand van Fortuyn was de ‘linkse kerk’, de progressieve elite; de vijand van onze ‘zwarte’ Fortuyn is de ‘witte kerk’, die feitelijk samenvalt met Fortuyns linkse kerk. En ten slotte, voordat ik vergeet, Fortuyn en Özdil zijn allebei van Rotterdam.

De overeenkomst met Fortuyn vertelt ons misschien ook iets over de toekomst van de carrière van Özdil. De progressieve elite wil namelijk aan de macht blijven en probeert daarom tegengeluiden te smoren. Fortuyn werd gedemoniseerd, Özdil dreigt te worden ingekapseld door het systeem. De Nederlandse historicus doet nu namelijk precies wat de elite wil, hij speelt op TV de rol van de ‘nobele wilde’, een gestudeerde en geseculariseerde ‘Turk’, en wordt alleen maar gevraagd om te spreken over ‘zwarte’ thema’s. Voor andere thema’s, bijvoorbeeld economie, wordt Özdil niet gevraagd, terwijl hij hier ook een duidelijke mening over heeft, een mening die misschien wel interessanter is dan zijn nogal ongenuanceerde meningen over racisme in Nederland. De ironie wil dat Zihni Özdil het institutionele racisme door zijn mediaoptredens in stand houdt. Zijn grootste fans zijn de mediamensen die hij het hardst bestrijdt, de paternalistische progressieve elite.

Daarom hoop ik dat Özdil, die een contract heeft bij uitgeverij De Bezige Bij, straks een boek over de economische crisis schrijft. Ik zal het daar waarschijnlijk ook heel erg mee oneens zijn – Özdil is een neomarxist ook al ontkent hij dit – maar hiermee ontsnapt hij wel aan de rol die het systeem hem dwingt te spelen. Ik geloof namelijk dat Zihni Özdil, die een vaardige pen heeft en geen blad voor de mond neemt, zoveel beter kan.

Om af te sluiten een liedje van de dames van En Vogue die in 1993, exact een jaar na de beruchte rassenrellen in Los Angeles, een spetterende song uitbrachten tegen racisme.

Free your mind and the rest will follow. Be color blind, don’t be so shallow: