Aan de VU zou een ontkenner van de Armeense genocide spreken en bij de TU Delft krijgen ze bezoek van een 9/11-truther. Dat is buitengewoon gevaarlijk.

Natuurlijk is er vrijheid van meningsuiting en natuurlijk is er academische vrijheid. En daarom zou het onzinnig zijn om complotdenkers en pseudowetenschappers te bannen. Niet omdat ze zoveel zinnigs zeggen, maar omdat wetenschappelijke consensus het gevolg moet zijn van argumentatie, niet van dogmatiek. Als wetenschappelijke kennis niet is opgewassen tegen een tegengeluid – zeker als de wetenschappelijke gemeenschap het tegengeluid afdoet als niet-wetenschappelijk – moeten we ons serieus gaan afvragen of die kennis niet veel meer is dan een afspraak tussen academici. Dus uiteraard moeten we die lui een podium bieden in een academisch debat – met een geleerde opponent, dat is.

Studenten denken slaafs

Tegelijkertijd is deze voorstelling van zaken te makkelijk. Dat heeft niet met het verdedigen van de vrijheid van meningsuiting te maken. Alleen al daarom moeten die lui gewoon komen spreken. Maar het is wel een dilemma: want vrijheid van meningsuiting is in potentie nogal gevaarlijk. In principe moeten alle studenten en docenten over alle onderwerpen een academisch debat kunnen bijwonen. Maar de joker zit hem in ‘academisch’, want dat betekent ook dat het publiek zich zekere standaarden van rationaliteit heeft eigengemaakt. En dat is niet langer het geval op onze universiteiten. Dat maakt het publiek wel een heel gemakkelijke prooi voor een genocide-ontkenner en een 9/11-truther.

Dat is geen overdreven pessimistische inschatting. Nogal wat wetenschappers, zeker in de alfahoek, zijn tamelijk gecharmeerd van het idee dat kennis en waarheid afspraken zijn. Deze ongelukkigen lazen Nietzsche voor hun dertigste (iets wat ik nog steeds probeer te vermijden, secundaire literatuur volstaat vooralsnog) en liepen daarbij hersenschade op. Nietzsche leert samen met een hele rij aan ‘filosofen’ dat kennis eerder een sociaal construct is dan een beschrijving van de objectieve werkelijkheid. Sommigen in die traditie gaan zelfs zo ver, dat het nota bene aan sociologen is om te verklaren waarom wetenschappers de ene theorie wel accepteren en de andere niet. Waarheid komt immers tot stand binnen een bepaalde sociale context. Als de context verandert, verandert de waarheid over de wereld. ‘Ergo’: er is geen absolute waarheid over de werkelijkheid. Ziet u eens, heeft u direct een beter begrip van het onbegrip dat postmodernisme heet.

(Ooit ga ik een boek schrijven over hoe dit soort geschifte ideeën vanuit een theoretisch dichtgetikte academische elite kunnen doorsijpelen naar de man op de straat. Het is toch fascinerend dat zulke enorm tegenintuïtieve ideeën gemeengoed zijn geworden. Vraag maar aan leken wat waarheid is en uiteindelijk is het destillaat van hun antwoord zorgwekkend vaak zoiets als ‘waarheid is een afspraak’. Laten we dus niet te hoog opgeven van common sense; it’s not that common.)

Ironische zelfbeschrijving

Enfin, de sociaalconstructivisten hebben sociologen ingezet om uit te vinden dat wetenschappers uit carrière-overwegingen welgevallige kennis produceren. Op zich is dat een geweldige en ware vondst. Ware het niet dat de sociaalconstructivisten hiermee de natuurwetenschappen wilden ontmaskeren. En dat werkt dus niet, want dan moet je van betere huize komen. In de jaren negentig braken hierover de Science Wars uit, met als hoogtepunt het artikel van natuurkundige Alan Sokal die complete onzin over quantummechanica neerpende, er een vette saus van ‘filosofisch’ jargon overheen gooide en het toen gepubliceerd kreeg in een postmodernistisch journal. Dat was lachen om postmoderne ironie.

De Science Wars waren vooral een oorlog tussen traditionele, rationele wetenschap en de ontkenners van rationaliteit, tussen echte denkers en het postmodernisme. Het frappante is echter dat de academische activiteiten van postmodernisten, niet die van de natuurwetenschappers, uitstekend beschreven kunnen worden met behulp van het sociaalconstructivisme dat zij zo eren. Het doorsnijden van de link tussen taal en werkelijkheid is niet goed houdbaar, maar waaraan de postmodernisten zich wel bezondigen is uiterst specifieke kennisproductie voor hun eigen politieke agenda. Een agenda die, zoals bleek in de Science Wars en als zodanig ook expliciet werd benoemd, bepaald wordt door ‘The New Left’. Deze mensen waren en zijn vooral geïnteresseerd in het uitgummen van de werkelijkheid, zodat ze in hun teksten ongehinderd hun eigen samenleving kunnen construeren. De obsessie met feminisme, racisme, imperialisme, kolonialisme en alles wat volgens de postmodernisten geen ruimte krijgt binnen traditionele wetenschap, kan geen duidelijker zelfdiskwalificatie zijn. Hier is geen intellectuele nieuwsgierigheid, geen zucht naar waarheid op zoek; dit is niets meer dan kennisproductie voor politieke doeleinden. En het vreet aan de fundamenten van rede, rationaliteit, objectiviteit en de wetenschap als streven naar waarheid.

Het postmodernisme heeft huisgehouden op onze universiteiten. Door de enorme studentenaantallen is er al niet echt meer sprake van een academische vorming. En vooral bij de humaniora krijgen studenten veel te veel giftige meuk door hun strot geduwd. Meng academische onvolwassenheid met slecht denkwerk en het resultaat is een instabiel amalgaam, een in potentie destructieve mix. De meeste studenten praten hun docenten na. Slechts weinigen denken zelf na. Daarom levert de UvA nog altijd neo-babyboomers af. Onkritische denkers die zich filosoof noemen omdat ze fan zijn van Hannah Arendt, hup, zo uit de mal van de opinie-corrigerende universiteit. Een dergelijk publiek, dat is opgevoed met een diepe afkeer van ware wetenschap, is een dankbare voedingsbodem voor geschifte theorieën. Want zelf kunnen ze ze allang niet meer weerleggen, want ja: waarheid is toch ook maar gewoon een afspraak?