Gisteren was het weer raak: het zoveelste hoofdstuk in de controverse rondom Nijmeegs hoogleraar sociale psychologie Roos Vonk en haar vergelijking tussen de intensieve veehouderij (alias de bio-industrie) en de Holocaust. Half Nederland viel over haar heen, het college van bestuur van de Radboud Universiteit Nijmegen berispte haar en nu, vier maanden later, praat men er nog steeds over.

Niet nieuw

In feite is deze vergelijking al heel oud en wordt deze vaak gemaakt door radicale dierenactivisten, met de pseudowetenschappelijke misantrope vrouwenhatende racistische geweldsverheerlijkende Amerikaan Gary Yourofsky voorop als meest tenenkrommende voorbeeld, van wie ook menig veganist afstand nam. Dat een doorgaans gerespecteerd wetenschapper als Vonk, die in al die opzichten anders is dat deze schreeuwlelijk,  zich aansloot bij dit narratief, was daarom des te opmerkelijker. Vonk verdedigde zich afgelopen zaterdag op Twitter door te zeggen dat eerdere opiniestukken met kritiek op de bio-industrie zónder Holocaustvergelijking van haar naar de Volkskrant en NRC steeds niet geplaatst werden, en dat ze daarom uiteindelijk haar kans aangreep toen NRC aanbood om ‘een betoog te schrijven “waarom de bio-industrie te vergelijken is met concentratiekampen, als u dat tenminste vindt”.’ Onze Ewout Klei meende dat dit een zwak excuus was en haar reputatie als wetenschapper nog meer schade deed. Is dat zo? Laten we dat eens bekijken.

Collega Jeroen Adema schreef een tijd geleden een polemiek tegen Floris van den Berg, een roemruchte Nederlandse veganisme-activist (die een beetje tussen de genuanceerde Vonk en de iedereen hatende Yourofsky inzit).  Hoewel ik zelf een groot voorstander ben van veganisme, denk ik dat Adema tot op zekere hoogte terecht kritiek levert op Floris’ framing van vleeseters als ‘nazi’s’ en ‘moordenaars’. Dat vereist enige uitleg. Anderzijds vind ik dat Adema te generaliserend is, vooral in de titel van zijn stuk, alsof alle (pro-)veganisten op dezelfde wijze als Floris zouden discussiëren; ik ben daarvan slechts één van vele tegenvoorbeelden. Uiteraard zijn titels zoals dit een beetje sensationeel en heb ik de link begrepen met Diederik Stapels frauduleuze ‘vleeshufter’-onderzoek (overigens was Roos Vonk voor ‘onzorgvuldigheid’ in haar samenwerking met Stapel ook al eens berispt, maar zij is zelf niet schuldig bevonden aan fraude).

Zelfde doel, andere methode

Om maar te beginnen met een declaration of interest: ik heb Floris in 2010 leren kennen en ben geleidelijk bevriend met hem geworden (daarom zal ik hem ook bij zijn voornaam noemen). Hij heeft mij in 2013 met een toespraak aan het denken gezet over veganisme en uiteindelijk hebben in 2015 andere vrienden van mij me op vriendelijke wijze overtuigd, met sterke wetenschappelijke en rationele argumenten. Ik leef nu al een tijdje als flexanist (flexibele veganist): iemand die geen vlees eet en ook zuivel en eieren probeert te mijden, maar flexibel is wat betreft die laatste twee om praktische redenen (Vonk is ook een flexanist). Over het waarom en hoe zal ik nog een andere keer schrijven. Wat hier belangrijk is, is dat ik het eens ben met Floris’ doel, namelijk een wereld met zo min mogelijk dierenleed – en bijkans redden we ook het klimaat door de uitstoot van CO2 en vooral methaan uit de vee-industrie drastisch te verminderen. Maar mijn methode van mensen overtuigen is anders: ik volg het principe bekend als “Don’t Be A Dick“.

Is de huidige vee-industrie goed te vergelijken met de Holocaust, zoals Floris en anderen regelmatig doen? Die vraag is ingewikkelder dan die op het eerste gezicht lijkt en heeft geen simpel ja/nee-antwoord.

  1. Allereerst iets over vergelijkingen in het algemeen: je kunt in principe alles met elkaar vergelijken, maar als de verschillen tussen de zaken te groot zijn, dan faal je erin om een punt te maken. Als je dus wilt dat mensen je begrijpen, is het belangrijk om ervoor te zorgen dat de omstandigheden/factoren niet te verschillend zijn, anders gaat de vergelijking ‘mank’ zoals dat zo mooi heet, en dan kijken mensen je raar aan en snappen er geen biet van. Voorzichtigheid is dus geboden.
  2. Met betrekking tot vergelijkingen met de Holocaust vind ik dat je moet oppassen vanwege de grote emotionele lading die het onderwerp heeft. Zelfs als je goede rationele punten hebt, is het risico heel groot dat mensen het gevoel hebben (helaas speelt subjectiviteit een grote rol in discussies) dat de vergelijking mank gaat, snappen ze niet wat je bedoelt, vinden ze je maar raar en stoppen ze met luisteren naar wat je te zeggen hebt.
    Als je mensen echt wilt overtuigen, kun je beter een andere strategie gebruiken. Niet in de laatste plaats omdat vergelijkingen met de Holocaust al zo vaak worden gemaakt. Zo vinden pro-life mensen dat het geheel aan abortussen en euthanasieën dat nu voorkomt ook een “Holocaust” (vanaf 1:30, hetgeen ik dan weer een nogal kromme vergelijking vind).
  3. Enkele relevante verschillen en overeenkomsten:
    > Bij de Holocaust was het onduidelijker of alle slachtoffers dood zouden gaan en zo ja hoe snel; het werd echter gerechtvaardigd met het idee dat het toch maar Untermenschen waren. Het doden is een doel op zich: de groepen mensen dienden te worden uitgeroeid. De nazi’s hoopten ooit ‘klaar’ te zijn (Estland werd gemarkeerd als “Judenfrei”).
    > Bij dieren wéten we dat ze allemaal doodgaan, maar we hebben elkaar het fabeltje van ‘humane’ slacht en ‘diervriendelijk’ vlees wijsgemaakt. En weer: het zijn ‘maar’ dieren, zo gaat het nou eenmaal. Het doden is echter geen doel op zich; het gaat om het voedsel. Er worden ook steeds nieuwe dieren gefokt om het proces voort te zetten. Je hebt in beide gevallen een groep mensen die het doden verricht die rechtstreeks verantwoordelijk zijn. Laten weten voor het gemak even zeggen dat dat bij de Holocaust “de nazi’s” waren: leden en directe werknemers (inclusief soldaten, vooral de kampwachters en Einsatzgruppen) van de NSDAP. In geval van de vee-industrie zijn dat de fokkers/boeren en winkels, maar vooral de slachterijen. Je kunt zeggen dat degenen die de trekker overhaalden, de gasblikken openden en naar beneden gooiden en degenen die in de slachthuizen werken de daders zelf zijn en de anderen in het proces “collaborateurs”. Dan heb je de rest van de samenleving die min of meer bewust is van wat er gebeurt, maar elkaar hebben wijsgemaakt dat het wel meevalt. Bovendien doen ze er indirect aan mee, bijvoorbeeld door de “ongewenste” mensen uit te sluiten van de samenleving en onderduikers te verklikken, respectievelijk vlees te kopen. Deze mensen zelf doden niemand, zijn geen onderdeel van de moordmachine zelf, maar steunen deze van buitenaf. In WO2-termen heet dit “accommodatie“.
  4. Je mág de vergelijking natuurlijk maken, maar de vraag is of dat slim is. Veel mensen beroepen zich op de Wet van Godwin, die vaak wordt uitgelegd als dat degene die de ander met nazi’s vergelijkt, de discussie heeft verloren. Dat is te simpel. Er is een hele voor de hand liggende reden waarom mensen vaak analogieën bedenken op het Duitse nazisme van 1933 tot 1945, namelijk: daar weet iedereen best veel van. We hebben dat, als het goed is, allemaal wel eens gehad bij geschiedenisles, en er is voortdurend maatschappelijk debat over. Als je dus de Holocaust gebruikt als referentiepunt voor een ander historisch fenomeen (bijvoorbeeld de Armeense Genocide of de massamoord van Srebrenica), kun je in veel gevallen mensen helpen die andere fenomenen beter te begrijpen. De bio-industrie is echter op zo veel vlakken van een andere orde dan de Holocaust, dat het zeer twijfelachtig wordt of je publiek je beter zal begrijpen als je ze met elkaar in verband brengt.

Holocaustvergelijking onhandig

Ik denk dat deze vergelijking eerder een averechts effect heeft, waarmee veganisme makkelijker kan worden weggezet als ‘extremisme’. Veganistische opvattingen staan dan namelijk zó los van de belevingswereld van vleeseters, dat ze niet eens meer de moeite nemen om argumenten voor een plantaardig(er) dieet serieus te nemen en dus vrolijk vlees blijven kopen en eten.

Laten we dus verstandig zijn en de Holocaustvergelijking vermijden: die schaadt de zaak denk ik eerder dan dat zij deze baat. De factoren en omstandigheden zijn zo verschillend dat verreweg de meeste vleeseters niks snappen van het punt dat je wil maken en dat heeft een negatieve uitwerking, namelijk dat zij in hun eigen standpunt worden bevestigd alsof zij ‘normaal’ bezig zijn. Rosanne Hertzberger heeft betoogd dat het ook niet nodig is om broodnodige kritiek te leveren op de bio-industrie: als fenomeen op zich kun je goede redenen bedenken waarom we die moeten beperken of zelfs afschaffen zonder ons te verliezen in gevoelige analogieën.

Als je het echt niet kunt laten om toch een dergelijke vergelijking te trekken, stel ik voor om de term ‘accommodeur’ of ‘faciliteur’ (naar het Engelse enabler) te hanteren voor vleesconsumenten die verder niet rechtstreeks betrokken zijn bij de slacht, maar zich ernaar accommoderen respectievelijk deze faciliteren.


Afbeelding: Wikimedia Commons