De universiteit is geen plek meer voor een academisch gesprek. Tegenstemmen zijn er om te corrigeren.

Er wordt nogal eens beweerd dat Nederlandse universiteiten links zijn. Hoewel het wetenschappelijk personeel wellicht overwegend politiek is georiënteerd in die richting, is dat bij veel opleidingen nauwelijks te merken. Het is nu eenmaal moeilijk bij een vak als moleculaire biologie een haakje te vinden om de onderdrukking van minderheden door het witte grootkapitaal aan te hangen. Anders is dat in de humaniora waar hele opleidingen zijn opgezet in de beste methodologische traditie van de omgekeerde scholastiek: de conclusie van onderdrukking en vertrapping ligt al vast, het is de truc om er een theorie omheen te breien. Dat die opleidingen bestaan, is een vermoeden dat we bevestigd zien als we het curriculum van vakgroepen als Geschiedenis, archeologie en regiostudies, Sociologie en Politicologie aan de Universiteit van Amsterdam doorlichten. Er heerst daar een onwaarschijnlijke intellectuele monocultuur die alles tart wat een universiteit hoort te zijn.

Het is opvallend dat de Universiteit van Amsterdam – nooit vies van dure marketing – recentelijk studenten probeerde te werven met teksten als ‘Universiteit van Amsterdam / where opinions get challenged’. De inhoud van die slogan ligt redelijk dicht bij The idea of a university (1950), zoals Michael Oakeshott dat beschreef. Volgens Oakeshott is het een zonde als een universiteit een doel dient of een ideaal onderschrijft. Een universiteit is vooral een plek waar academici bezig horen te zijn met ‘the pursuit of learning’. Het is niet verboden om studenten op te leiden voor de arbeidsmarkt, maar alleen als dat een consequentie is van de geestelijke verrijking die het academische leven biedt. Kennis produceren om een ‘ideal’ of ‘purpose’ te schragen, is echter uit den boze. ‘A university is not a machine for achieving a particular purpose or producing a particular result; it is a manner of human activity.’ Oakeshott zit opvallend dicht bij Pierre Hadots interpretatie van wat filosofie in de grond zou moeten zijn, namelijk een manier van leven, als een manier om een transformatie van het subject dat haar beoefent te helpen realiseren. Echte filosofie voor Hadot vertoont sterk gelijkende trekken met de universiteit volgens Oakeshott: ‘The pursuit of learning is not a race in which the competitors jockey for the best place, it is not even an argument or a symposium; it is a conversation.’

Als we deze rijke traditie in verband brengen met wat de Universiteit van Amsterdam (UvA) pretendeert te praktiseren, dan ziet het er hoopgevend uit. Het is immers in goede gesprekken dat meningen worden uitgedaagd en bevraagd. Volgens de slogan leeft het wezen van de universiteit in de UvA. De inleiding gaf het al een beetje weg, dus dat nadere inspectie van het onderwijs aan de UvA garant staat voor een deceptie, mag niemand verbazen. De mate van deceptie wel. Aan de hoofdstedelijke universiteit stikt het van de vakken die niet bijdragen aan welke vorm van gesprek dan ook; hun functie is retorisch en persuasief, hun aard is uitdrukkelijk niet universitair.

Bij geschiedenis, politicologie en sociologie worden veel goede en inhoudelijke vakken gegeven. Ook daar zijn uitstekende docenten die toonaangevend onderzoek doen en onderwijs op hoog wetenschappelijk niveau geven. Wie het tegendeel beweert, heeft geen idee waar hij het over heeft. Dat neemt niet weg dat veel mensen het tegendeel denken – en dat is hun niet eens geheel aan te rekenen. Want de goeden staan in de kwade reuk van de slechten, de onverholen vooringenomen ‘wetenschappers’, de ideologen, de politieke pamflettisten. Dit is een groot probleem waar de humaniora en menswetenschappen in de hele Westerse wereld onder lijden.

Wat dacht u van een vak als ‘Gender and ethnicity in western and (post)colonial history’ bij politicologie? U krijgt maar liefst twaalf studiepunten als u weet te reproduceren dat blanke Europeanen niet alleen de koloniale bevolking onderdrukten, maar ze ook nog eens een repressieve seksuele moraal oplegden. Nergens ook maar een hint van een kritische evaluatie, bijvoorbeeld van de gezondheidsvoordelen van een bepaalde seksuele moraal. Iets soortgelijks vinden we bij antropologie, alwaar wederom voor een dikke twaalf studiepunten (zestig studiepunten constitueren een vol jaar) een vak gevolgd kan worden met de naam ‘De talige constructie van gender- en klasse-identiteiten’. Daar gaan we weer: de ontwrichting van de werkelijkheid door haar te construeren als construct. De studiegids vertelt: ‘We zullen dat doen door te kijken naar hoe sociale actoren in hun dagelijkse taalpraktijken dominante ideologieën over gender- en klasse-identiteiten proberen te destabiliseren, en hoe dergelijke processen beïnvloed worden door de toenemende mediatisering en commodificering van cultuurelementen die geassocieerd worden met specifieke klasse- en genderidentiteiten.’ Achter elk woord lijkt de toevoeging ‘sic!’ niet overbodig. In ieder geval treffen we alle ingrediënten voor een progressief gepolitiseerde quasi-wetenschappelijke praktijk aan: macht, gender, economie, identiteit, impliciete media- en kapitalisme-kritiek en natuurlijk ‘destabilisatie’. Geen woord over de reflectie op deze methode zelf. Niets over de vernietigende kritiek van (analytische) filosofen, biologen en serieuze historici op deze postmodernistische hocuspocus. Van een gesprek is ook hier geen sprake, er is geen weerwoord.

Het onderwijs aan de UvA verzorgt niet alleen diepgaand inzicht in economische repressie. Verreweg de belangrijkste onderzoekscategorie lijkt deze dagen die van gender, dikwijls verbonden met ras en ‘intersectionaliteit’ – die laatste term begrijpen is overigens alleen weggelegd voor de priesters van het sancta sanctorum van het (post)postmodernisme. In leuke verpakkingen (‘Gender and Sex in the City’) leren studenten spelenderwijs kritische vragen in te ruilen voor retorische. Of dacht u soms werkelijk dat antwoorden niet al vastliggen op vragen als ‘Is the city a place full of possibilities for gender bending? Or is it a place of danger for those differently gendered’? Enfin, nog een dead giveaway over de politieke geladenheid van onderwijs, vinden we bij ‘Introduction to gender and sexuality’. Een van de leerdoelen is daar: ‘Be encouraged to develop their own opinion about the emancipation and citizenship rights of women and sexual minorities in current and historical public and academic debates’. Is er een andere mening verdedigbaar dan burgerrechten voor vrouwen en minderheden? Natuurlijk niet – en dat verdedigt ook niemand. Het leerdoel suggereert een oppositie die niet bestaat en rechtvaardigt zo het bestaan en de strijd van de inclusieve ‘tegenbeweging’. Strijden tegen windmolens is nog altijd big business. Maar fijn dat er aangemoedigd wordt een ‘own opinion’ te vormen.

Overigens, over inclusie en exclusie gesproken: ‘Analyzing identity-based conflict: understanding processes of in- and exclusion’ is ook een mooi vak. Het is een subtiele propaganda voor de postmoderne nonsens dat niets gevaarlijker is dan een groep mensen. (Dit is het moment waarop u hoest en ‘de natie’ kucht.) We lezen in de studiegids dat ‘The course will provide students with a repertoire to analyze how identity is constructed in both local to national and international contexts. The course challenges to rethink the notion of identity as students develop the critical skills to understand the interplay between identity and conflict.’ De sluwe suggestie is dat een gemeenschappelijke identiteit niet alleen tegen wil en dank geconstrueerd wordt, maar ook dat de intentie dat te doen op zijn minst dubieus is, want is identiteit niet de bron van conflict? Ook hier geen kritische reflectie op de assumpties en de theorie, maar een smeercampagne die studenten opleidt in de wijsheid dat een Oranje voetbaluitdossing een constructie van een onderbuik-identiteit is die conflict uitlokt en exclusie verzekert.

Tijdens de fanfare van gemarginaliseerde minderheden komen natuurlijk ook de vertrapten uit het verleden ruim aan bod. Daar kunt u van alles over leren bij ‘Protest! Verzet en rebellie in vroegmodern Europa’. Ingeleid door een Ethiopisch spreekwoord (heus) vertelt de studiegids dat ‘In dit werkcollege onderzoeken we vormen van verzet in (met name) vroegmodern Europa, een tijd waarin het merendeel van de bevolking was uitgesloten van het politieke proces. Hoe konden onderdanen, zowel in de stad als op het platteland, hun politieke meningen uitten (sic) en politieke invloed proberen uit te oefenen? Wat was de rol van ludiek verzet, rituelen en politiek geweld? Welke vormen van verzet stonden open voor gemarginaliseerden, zoals slaven en gevangenen? Hoe gebruiken historici categorieën zoals leeftijd, gender en klasse in hun onderzoek naar verzet?’. Veel commentaar is overbodig. De triptiek van gender, klasse en indentiteit moet echter even benoemd worden. Het zijn de noodzakelijke categorieën voor de constructie (!) van slachtofferschap. Het negeert de mens maar cultiveert de slaaf. Het verband met politieke kleur mag overduidelijk geacht worden; wie handelen immers in slachtofferschap, wie bejubelen de ‘marginalen’ als ware stem van de waarheid en wie benaderen de maatschappij als een klassenconflict?

De collegeinhoud zoals de studiegids hierboven belooft, is representatief voor de staat van de universiteit in de westerse wereld. Geleerdheid is door een onwelriekende minderheid sterk gepolitiseerd, kennis wordt eerst geconstrueerd en vervolgens instrumenteel gemaakt om politiek en ideologie mee te funderen. Het is, nogmaals, een minderheid, maar het is een minderheid wier ideeën de denkcategorieën van de humaniora overwoekeren. Gender is bijvoorbeeld een nauwelijks bruikbaar concept, tenzij de bedoeling is om een ideaal van gelijkheid na te streven. Dat is echter precies wat gebeurt. En een universiteit die de zoektocht naar geleerdheid heeft opgegeven voor een obsessie met het eigen gelijk, is niet langer een universiteit. Het is een intellectueel tuchthuis.