In plaats van een periodiek Kinderpardon kunnen we beter de Rijkswet op het Nederlanderschap aanpassen.

Elke maand opnieuw worden we geconfronteerd met hetzelfde tafereel: een gezin met Nederland geboren en getogen kinderen krijgt na een lange asielprocedure te horen dat het uiteindelijk toch het land moet verlaten. Vorige maand was er de zaak van het kerkasiel van de Armeense familie Howick. Deze maand was er de zaak van het gezin Grigoryan, dat gisteren ondanks publieke verontwaardiging over de zaak toch werd uitgezet.

In de publieke discussie gaat de aandacht vooral uit naar de gevolgde asielprocedure. Kan die niet anders/efficienter worden opgezet zodat procedures jaren in plaats van maanden duren? Kan niet worden vastgelegd dat de overheid na een eerste positieve beschikking niet langer automatisch in beroep gaat? Het zijn ongetwijfeld nuttige wenken, maar de bestuurlijke praktijk kennende gaan zulke wijzigingen weinig wezenlijke veranderingen brengen. Het is voor de overheid namelijk doel op zich om de asielpraktijk stroperig te maken – van de lange duur moet een ontmoedigende werking uitgaan op andere mogelijke asielzoekers.

Voor een oplossing van het probleem van de uitzetting van in ons land geboren kinderen moeten we dus elders kijken. In Den Haag gaat de discussie opnieuw over een Kinderpardon: alle zaken met kinderen die langer dan vijf jaar hier wonen, inmiddels zo’n 740 gevallen, zouden automatisch tot een positieve beschikking moeten leiden. Het lijkt me een oplossing van het verkeerde soort. In de eerste plaats wordt het probleem van de langlopende procedures er niet door aangepakt. Daar is noch het individu, noch het asielsysteem mee geholpen. Het is daardoor ook geen structurele oplossing. Elk Kinderpardon maakt een discussie over een volgend Pardon onvermijdelijk, met al het politieke drama dat daarbij hoort.

Een permanent Pardon zou een oplossing kunnen vormen: elke zaak die langer dan vijf jaar duurt, eindigt voortaan automatisch met een toekenning van een verblijfsvergunning. Maar daarmee bouwen we een perverse prikkel in om het hele proces net binnen de wettelijke termijn af te ronden. In plaats van de tijd te nemen zal de overheid procedures versnellen om zo een volgend Pardon te voorkomen.

Voor een effectievere oplossing moeten we elders kijken, in de Rijkswet op het Nederlanderschap om precies te zijn. Die wet bevat namelijk een eigenaardige lacune. Wie op ons grondgebied geboren wordt, is niet automatisch Nederlander. Onze wet ziet staatsburgerschap via geboorte hoofdzakelijk als een zaak van bloedverwantschap, een ius sanguinis. Als je in Nederland wordt geboren (of zelfs erbuiten) en je vader of moeder het Nederlanderschap bezit, ben je zelf dus ook automatisch Nederlander. De komst van de EU en asielmigratie heeft een tweede en derde laag van Nederlanderschap door geboorte geintroduceerd, namelijk die van het hoofdverblijf. Een kind van een ouder of ouders die een legale verblijfsstatus heeft/hebben, heeft ook recht op Nederlands staatsburgerschap.

Deze lappendeken aan categorieen laat (bewust?) een gat open voor kinderen van ouders die nog in de asielprocedure zitten. Deze kinderen kunnen geen aanspraak doen op het geboorterecht op het Nederlanderschap. Als we een structurele oplossing willen, zullen we dit gat dus moeten dichten. Voor inspiratie kunnen we daarbij kijken naar de Amerikaanse praktijk. Daar is het geboorterecht op staatsburgerschap geregeld via het 14de amendement op de grondwet. De jurisprudentie heeft de tekst van dit amendement vervolgens zo ingevuld dat het geboorterecht toevalt aan elke op Amerikaans grondgebied geboren baby, ongeacht de verblijfsstatus van de ouder(s). Anders dan in de VS is bij ons geen grondwetswijziging nodig. Een enkele wijziging van de Rijkswet is genoeg. Het zou ons als samenleving voorgoed verlossen van de schaamteopwekkende taferelen van de uitzetting van hier geboren en getogen kinderen. En belangrijker: het zou die kinderen eindelijk geven waar ze recht op hebben.