De VVD trekt aan het slot van de campagne alsnog de premierkaart. Hij lijkt een gok maar er zit berekening achter.

Het Nederlandse politieke systeem lijkt een onontwarbare kluwen van partijen die allemaal met elkaar in gevecht lijken om de status van grootste partij van het land. In werkelijkheid is het een stuk overzichtelijker. De strijd wordt namelijk vooral uitgevochten binnen de linke en rechtse blokken. De partij die de linkse of rechtse ‘primary’ wint, zal in de slotfase van de campagne kunnen rekenen op de steun van zwevende kiezers binnen het eigen blok. Zo won Rutte in 2010, zo wonnen Rutte en Samsom elk fors in 2012, en zo won Rutte opnieuw in 2017.

Voor de huidige Europese campagne leek het doel aanvankelijk vooral om de opkomst zo laag mogelijk te houden. In die situatie zou een gevestigde partij als de VVD, met een relatief trouwe achterban, een betere uitslag kunnen verwachten dan een nieuwe partij als FvD die nog geen eigen vaste achterban heeft om te mobiliseren. Ruttes partij leek geen gelegenheid onbenut te laten om het belang van de verkiezingen te relativeren. Ja Europa was belangrijk, maar deze verkiezingen… not so much.

De berekeningen veranderden toen binnen het CDA opeens minister van Financien Hoekstra naar voren werd geschoven. Zijn toespraak in Berlijn raakte zowel bij de eigen Buma-kritische achterban als bij politieke commentatoren een gevoelige snaar, en in de eerste daaropvolgende peilingen leek het CDA enig momentum te ontwikkelen. Het leek nog niet genoeg om de VVD te kunnen bedreigen, maar in campagnetijd kunnen kleine wolkjes aan de horizon zich in rap tempo ontwikkelen tot stormen die hele partijen omver blazen of juist opstuwen (zie de SP in 2012, of recenter de opmerkelijke opmars van de Liberal Democrats in de peilingen voor de Britse Europese verkiezingen). Er moest dus iets worden gedaan om dat momentum te stoppen.

Het trekken van de Rutte-kaart lijkt een gok. Als het verkeerd uitpakt, zou het Baudet immers kunnen helpen zich te presenteren als meerdere van een zittend premier. Zelfs bij een gelijkspel zou Baudet al de morele winnaar zijn. Toch hoeft Rutte niet te ‘winnen’ om deze zet te rechtvaardigen. Het gaat namelijk om de beeldvorming, en daarbij heeft hij door meteen een forse tik uit te delen de zaak al op voorhand naar zijn hand gezet. Het debat gaat, zo schreven de media braaf over, niet tussen twee gelijkwaardige politici en standpunten maar tussen een premier met een verstandige agenda en een ‘zolderkamergeleerde’ met een ‘extreme, gevaarlijke agenda’. Alleen al door er te staan, wint Rutte. Het verdere verloop van het debat is bijna niet meer belangrijk, al zal Rutte voor die avond ongetwijfeld nog wel een verrassing in petto hebben.

Het voorbeeld dat de VVD voor ogen staat, is ongetwijfeld het debat tussen Rutte en Wilders in 2017. Wilders wist geen moment de indruk te wekken het redelijk alternatief te vormen, Rutte won door niets te doen. Toch zou hij er ook verstandig aan doen het debat tussen Macron en Le Pen in de tweede ronde van de laatste Franse presidentsverkiezingen erop na te slaan. Le Pen probeerde met inhoudelijke voorstellen de kijker te paaien, maar viel totaal door de mand toen Macron naar details van haar plannen voor een parallelle Franse munteenheid naast de euro ging vragen. In plaats van een praktisch voorstel hoorden de kijkers krankzinnige luchtfietserij. Le Pen verloor het debat, en daarmee alle momentum in de campagne. Wat een nek aan nek race had moeten worden, eindigde in een kansloze 35-65 nederlaag.

Kan het dus fout gaan in het voorgestelde debat? Niets is onmogelijk. Maar als Rutte het slim speelt, en Baudet dwingt zijn eigen extreme voorstellen tot in detail te verdedigen, zou het wel eens een beslissende overwinning kunnen opleveren. En zelfs als hij niet in details treedt, zal het contrast tussen zijn eigen redelijkheid en het extremisme van de FvD-voorman al genoeg zijn om hem de winst te bezorgen. Zo’n grote gok was dit aanbod dus al met al niet.