Wouter Roorda, die elke week over sociaal-economische onderwerpen gaat schrijven, over de grenzen van de verzorgingsstaat.

 

De weg naar het aardse paradijs

‘A rising tide lifts all boats’. Een bekende uitspraak van John F. Kennedy, de laatste Amerikaanse president naar wie in Nederland nog massaal straten zijn vernoemd. In deze ene zin ligt een duidelijke boodschap besloten: Van een algehele stijging van de welvaart profiteert iedereen. En ook legt deze een duidelijke prioriteit bij ‘verdienen’ van welvaart in plaats van ‘verdelen’.

Op het moment dat deze uitspraak werd gedaan, werden vrijwel overal in de Westerse wereld uitgebreide verzorgingsstaten opgetuigd. Met de beste bedoelingen uiteraard, die de weg naar het aardse paradijs moesten plaveien. Al in de jaren zeventig van de vorige eeuw liep de financiering van deze arrangementen tegen de grenzen van het economisch haalbare aan. Er werd gesnoeid, maar niet wezenlijk gekapt in het woud aan regelingen dat was ontstaan.

De verantwoordelijkheid van de overheid voor ons bestaan is de afgelopen decennia steeds groter geworden, ten koste van die van onszelf. De huidige Grondwet dicht, naast een aantal klassieke vrijheden, de Nederlander ook een aantal ‘sociale’ grondrechten toe, waarvan het de taak is van de overheid om die te realiseren of te garanderen.  Zo “schept [de overheid] voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding” (artikel 22 Grondwet). En dat is niet de enige open einde regeling in het eerste hoofdstuk over grondrechten.

 

Maakbaarheidsdenken

Een groot aantal puur menselijke en bureaucratische mechanismen heeft ervoor gezorgd dat de verzorgingsstaat, zoals die is ontstaan, de neiging heeft om al maar verder uit te dijen en nauwelijks valt terug te dringen. In de eerste plaats waren daar natuurlijk degenen die door bijvoorbeeld leeftijd of invaliditeit aangewezen waren op de solidariteit van anderen. Voor hen waren de regelingen ook bedoeld. Deze groep wordt met name zichtbaar als er wordt bezuinigd. Helaas kon niet worden voorkomen dat vervolgens grote groepen gebruik gingen maken van royaal opgetuigde vergoedingen en tegemoetkomingen die daarvoor eigenlijk niet in aanmerking kwamen. Die fout is gemaakt bij de werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in de jaren zeventig en tachtig en daarna steeds weer. Zie in de afgelopen vijftien jaar hoe een stelsel van toeslagen werd opgetuigd. Of hoe de forse verhoging van de kinderopvangtoeslag het informele oppascircuit monetariseerde. Of kijk naar de explosie van pgb’s, kinderen met adhd-achtige klachten en dyslexie, en personen die een beroep doen op geestelijke gezondheidszorg. Om over asielmigratie maar te zwijgen.

Het maakbaarheidsdenken, dat vooral in de vorige eeuw hoogtij vierde, leidde ertoe dat velen dachten dat de overheid ook daadwerkelijk voor iedereen wat kon betekenen en in staat was maatschappelijke, en daarmee individuele, omstandigheden te sturen. Ook waren er de gevallen die net buiten de boot vielen en waarvan de politiek (of de rechter) vond dat gelijke gevallen gelijk moesten worden behandeld. Dat leidde nooit tot een vermindering van aanspraken. Het vertrouwen in de overheid was zo groot dat deze steeds meer moest gaan regelen. Negatieve effecten van de ene regeling moesten ongedaan worden gemaakt door de introductie of uitbreiding van andere. Dus als de loonkosten voor laagbetaalde arbeid te hoog werden als gevolg van almaar stijgende belastingen en premies, dan kwam er een loonkostensubsidie om dat effect tegen te gaan. Marktfalen vormde een motief voor overheidsingrijpen; overheidsfalen was zelden een aanleiding om een stap terug te zetten. Een meer recente drijvende kracht vormt het gelijkheidsdenken. Gelijke behandeling en discriminatieverbod worden steeds meer uitgelegd als het realiseren van gelijke uitkomsten in plaats van het creëren van gelijke kansen. En het is aan de overheid om die gelijke uitkomsten te realiseren.

 

Opgelegde solidariteit

De vraag is natuurlijk in hoeverre het erg is dat eigen verantwoordelijkheid en ondernemerschap (in de breedste zin van het woord) zijn teruggedrongen en opgelegde solidariteit en overheidsingrijpen ons bestaan steeds meer tekenen. De ervaringen uit de vorige eeuw in zowel binnen- als buitenland leren dat de greep van de staat op de economie vaak verstikkend uitwerkt. Een precies criterium van hoe groot die staat dan wel moet zijn, valt niet te geven. Waar de overheid beslag legt op meer dan de helft van het nationaal inkomen is economische stagnatie welhaast een wetmatigheid; kijk naar Nederland in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw en bijvoorbeeld een land als Zweden een decennium later. Echter de reactie van de gemiddelde burger zal per land verschillen. In landen als Nederland en Zweden is er een groot vertrouwen in de overheid. Waar in Nederland vrijwel niemand het principe van een min of meer universele ziektekostenverzekering zal bestrijden, loopt Obamacare in de VS een serieus risico op geheel of gedeeltelijk verdwijnen. Historische factoren en culturele en andere motieven spelen dus een belangrijke rol bij wat nog acceptabel is voor de burger en daarmee houdbaar voor de economie.

Er is, als we naar de huishouding van een heel land kijken, een uitruil tussen verdelen en verdienen. Dat de effecten van belastingheffing negatief zijn, wordt door weinig economen bestreden. Daar staan echter in het begin positieve effecten van overheidsingrijpen tegenover, die afnemen naarmate de overheid meer taken op zich neemt. De uitruil ligt een stuk scherper als we gaan kijken naar het effect van individuele regelingen en arrangementen op bepaalde gebieden of in bepaalde sectoren. Dat er in Nederland bijna twee miljoen mensen onder de pensioengerechtigde leeftijd een uitkering ontvangen is weldegelijk problematisch, al lijkt het politiek nauwelijks een issue. De vele inkomensafhankelijke regelingen in ons land, tezamen met een al hoge belasting- en premiedruk, beïnvloeden de keuze om (meer) te gaan werken in sterke mate negatief. Hoge uitkeringen, zodat mensen die niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien toch kunnen ‘meedoen’, zorgen ervoor dat alleen degenen die geen ander inkomensalternatief hebben nog bereid zijn een (voltijds!) baan op het bijna even hoge minimumloonniveau te accepteren. Ontslagbescherming beschermt werknemers tegen de mogelijke grillen van een kwaadwillende werkgever, maar is ook van invloed op de beslissing om iemand aan te nemen. Iets soortgelijks geldt voor huurbescherming en het aanbieden van woonruimte. Het zijn deze thema’s waaraan ik de komende weken aandacht wil besteden, omdat ik ervan overtuigd ben dat bij een stijgend welvaartsniveau iedereen beter af is dan bij het ‘eerlijk(er)’ verdelen van de huidige welvaart.