Addie Schulte schreef een mooi boek over de rol van declinisme in het publieke debat van vandaag.

Wie zoals schrijver dezes volwassen werd in de periode net na het einde van de Koude Oorlog, is intellectueel gevormd in een wereld van schijnbaar onbegrensde mogelijkheden. De manische angst voor een nucleaire holocaust had plaatsgemaakt voor een grenzenloos optimisme. ‘Onze idealen’ hadden gezegevierd, de grote problemen van het tijdsgewricht leken opgelost. Dictaturen verkruimelden, grenzen vervaagden, alle mensen leken voor even werkelijk broeders. Er waren uiteraard nog uitdagingen genoeg, van honger tot armoede en van criminaliteit tot zure regen, maar voor zover we een beeld hadden van de verre toekomst zag die eruit als een nog betere versie van het heden.

Vijfentwintig jaar later is er van dat blinde optimisme niets meer te bekennen. In plaats daarvan wordt het publieke debat gedomineerd door complotdenken, nepnieuws en ondergangsscenario’s. Over dat laatste fenomeen verscheen onlangs een lezenswaardige studie getiteld ‘De strijd om de toekomst’ van de hand van de Amsterdamse journalist Addie Schulte. In zijn studie neemt Schulte vier van de belangrijkste ondergangsscenario’s onder de loep. U kent ze ongetwijfeld alle vier. Sterker nog, de kans is aanwezig dat u aan een van deze vier grote betekenis hecht. Als u geen ‘homeopathische verdunnings’ denker bent die het einde van Nederland of het blanke ras vreest, dan maakt u zich wellicht juist zorgen over de opwarming van de aarde. Of over het verdwijnen van werk door de komst van robots en AI. Of over de grote ‘race naar de bodem’: het verdwijnen van alle verworven sociale rechten door de wrede marktwerking. Het zijn de voornaamste ondergangstheorieen op het gebied van cultuur, ecologie, technologie en economie.

Schultes doel is niet zozeer om een overzicht te geven van de vele verschijningsvormen van het ondergangsdenken maar om een analytisch kader te scheppen voor het begrijpen ervan. Hij benadrukt daarbij de gemeenschappelijke elementen: de onmiddellijke dreiging, het grote belang, de profetenrol van de woordvoerders van de theorie, en de grote verantwoordelijkheid van mensen – als schuldigen aan het veroorzaken van de ondergang en als mogelijke oplossers ervan. Want, zo stelt Schulte terecht, het is een misvatting om ondergangstheorieen alleen maar als uitingen van peilloos pessimisme te zien. Het zijn ook en vooral seculiere verlossingstheorieen. Het Ware Geloof kan de mens helpen het Kwaad/homeopathische verdunning/opwarming/robotisering/uitholling van sociale standaarden te overwinnen, ja zelfs het paradijs op aarde te scheppen. Een dergelijke ‘immanentisering van het eschaton’ (een uitdrukking afkomstig van de Oostenrijks-Amerikaanse politiek filosoof Eric Voegelin, het op het hier en nu projecteren van de christelijke heilsverwachting) vormt een essentieel onderdeel van elke ondergangshypothese.

Het interessante aan Schultes boek is dat hij niet uit is op confrontatie – niet met de individuele theorieen en ook niet met ondergangsdenken als fenomeen. In plaats van de actieve stellingname van het radicale Verlichtingsoptimisme bepleit hij een veel passiever verzet in de vorm van een omarming van onzekerheid en twijfel. Daarbij is het minder belangrijk of men dat vanuit een optimistische of pessimistische basishouding doet, omdat de toekomst toch in nevelen gehuld blijft. Een dergelijke ‘lof der onzekerheid’ is politiek gezien wellicht een minder bruikbaar antwoord op ondergangsdenken dan het vooruitgangsgeloof van Steven Pinker – zekerheid verkoopt op de kiezersmarkt nu eenmaal beter dan onzekerheid. Filosofisch gezien is het wel interessanter, en voor het individu ook betekenisvoller. De beloning voor het leren verdragen van onzekerheid is uiteindelijk een leven in vrijheid – niet vatbaar voor de totaalantwoorden van de fundamentalisten en de ondergangsdenkers.

De strijd om de toekomst: over doemscenario’s en vooruitgang, uitgeverij Cossee, Amsterdam, februari 2019, ISBN 978 90 5936 834 7