De vrije meningsuiting van het slachtoffer in de rechtszaal geldt tegenwoordig als een groot goed waaraan nauwelijks grenzen mogen worden gesteld. Maar is dat wel verstandig?

Begin deze maand heeft de Tweede Kamer met 149 leden het wetsvoorstel aangenomen dat slachtoffers in strafzaken een onbeperkt spreekrecht geeft. Sinds 2005 mocht het slachtoffer al spreken over de gevolgen van het strafbaar feit: dat hij nachtmerries heeft, niet meer over straat durft en waarschijnlijk nooit meer de oude zal worden. Straks na goedkeuring van de Eerste Kamer, mag alles gezegd worden wat valt onder de noemer ’verklaring’. Uitlatingen over de schuld van de verdachte (voordat deze vaststaat), de strafmaat (niet te verwarren met strafadvies, dat voorstel heeft het niet gered) en de voortgang van het proces zijn dan ook toegestaan: dat het wachten allemaal te lang heeft geduurd, waarom de dader nog vrij is, de hoogste boom, etc. De rechter laat sinds de invoering van het spreekrecht in 2005 al oogluikend meer toe dan wettelijk is toegestaan, en elke advocaat die het waagt daartegen kritisch op te treden krijgt veel hoon over zich heen. Het sentiment dat het slachtoffer eigenlijk geen strobreed in de weg mag worden gelegd leeft dus al langer en om die reden is uitbreiding van de wet misschien niet zo verrassend. Terughoudendheid was echter beter geweest, en liever nog: visie op wat een goed functionerend strafproces nou eigenlijk is. Om in de woorden van advocaat Wim Anker te spreken: het strafrecht raakt steeds meer uit balans.

Geweten

Ons strafproces fungeert eigenlijk een beetje als het geweten van Nederland. Waar aan borreltafels, in collegebanken en op krantenredacties nog een beetje wordt gebabbeld over wat we nou van levenslang, Holleeder en hoge boetes vinden, in de rechtszaal is het menens. Daar vloeien theorie en praktijk samen tot wat we een rechtvaardig oordeel kunnen noemen. Alsof dat allemaal nog niet moeilijk genoeg is, komt de figuur waar het in beginsel allemaal om te doen is nu ook uitgebreid vertellen over zijn of haar ervaringen. De vraag is of de rechtszaal voor therapie wel de aangewezen plek is. Ik denk van niet. Veel slachtoffers willen of durven helemaal niet te spreken (het zijn er nu maar zo’n 250 per jaar) en zullen druk gaan voelen dit wel te doen, al dan niet aangemoedigd door slachtofferadvocaten en slachtofferhulp.

Deze wet lijkt het gevolg van een steeds verder uitdijend psychopolitiek plan dat de emotionele behoeften van kwetsbare mensen -in tegenstelling tot wat bereikt moet worden- juist isoleert van het proces als geheel. De illusie van inspraak zie je overal terug in de samenleving. Burgerparticipatie, inspraakochtenden, oudercommissies en evaluatieformulieren vliegen ons om de oren. Toch voel ook ik juist vaker afstand. Overal waar gezegd wordt dat er geluisterd wordt, blijkt vaak het tegendeel. Luisteren is niet vanzelfsprekend een taak van de overheid. Het nieuwe ’ongehinderd, onbelemmerd’ spreken, met nota bene een in de nieuwe wet opgenomen verplichting om het slachtoffer correct te bejegenen, ís afstand. Gehoord worden is niet hetzelfde als niet gehinderd worden. Juist niet. Het slachtoffer beschermen tegen zijn ongefundeerde eisen, extreme emoties en hoge verwachtingen is dat wel. Dit zou allemaal niet zo’n bezwaar hoeven zijn (laat mensen maar geloven wat ze willen), ware het niet dat het nou juist die dieperliggende behoefte aan erkenning is die deze wet tot doel heeft. Dat is een onoplosbaar probleem. Erkenning laat zich niet afstempelen op een formulier maar ook niet voelen in 15 minuten onbelemmerde spreektijd, daar is meer voor nodig. Onderzoeken hiernaar wijzen dat ook uit.

Procesrisico

Beter zou zijn slachtoffers als benadeelde partij met spreekrecht, maar ook gedurende de hele rit als getuige te betrekken in het proces, zoals in Duitsland ook gebeurt. Zo kunnen ze schade verhalen én verklaren wat ze willen, een en ander in toom gehouden door het procesrisico wat ze lopen: als je iets belastend zegt over de verdachte, hoe vaag ook, dan wordt je daarover op de zitting aan de tand gevoeld. Het zij zo. Dan heeft de advocaat die je -kosteloos- is toegewezen ook eindelijk iets te doen en het voorkomt (de schijn van) vooringenomenheid bij de rechter. Formeel gezien moet dit ook van de Hoge Raad maar de ruimte wordt steeds gezocht om daar geen gebruik van te maken, bijvoorbeeld doordat rechters belastende verklaringen tot meningen (en dus geen feiten) reduceren, of achteraf zeggen dat ’de verklaring toch niet is gebruikt voor het bewijs’. Er leeft een enorme aarzeling (of noem het angst) om verklaringen van slachtoffers als een volwaardig onderdeel van het onderzoek te behandelen. Ik maakte ook een aantal keren mee dat de vrouwen wiens mannen ik bijstond tot op de zitting volhielden mishandeld te zijn, terwijl deze vrouwen in de maanden voorafgaand aan de zitting nergens kritisch bevraagd of onderzocht werden en dat pas op de zitting het totaalplaatje uitwees dat er feitelijk ’niets’ gebeurd was. Tenminste, als je het vasthouden van een arm of iemand wegduwen niet als mishandeling wil zien. Ik niet in ieder geval.

Waarom zouden de belangen van anderen dan het slachtoffer niet ook mede in het belang van het slachtoffer kunnen zijn? Of beter nog: waarom zou het belang van het onderzoek niet in het belang van het slachtoffer kunnen zijn? Wat je nu ziet is een doorgeschoten belangenbehartiging van slachtofferadvocaten die commotie verwarren met rechtsbijstand. Denk aan de ophef van de (advocaten van de) slachtoffers in de zaak Robert M., die een voorproefje op deze wet maakten. Het hele proces werd verstoord door klachten waarvoor geen enkele wettelijke basis bestond. Zo zou Robert M. zijn voorarrest niet in een psychiatrische inrichting mogen doorbrengen (niet sober genoeg) en zou hij geen respect tonen voor de slachtoffers. Het deed mij denken aan een volksgericht.

Doortastendheid

In feite wordt het slachtoffer afgeschermd van de realiteit. Ook in het vooronderzoek, zelfs in de eerste fase bij de politie wordt steeds voorzichtiger omgesprongen met gevoelens van slachtoffers. Terwijl dit vaak de belangrijkste getuigen zijn, en vaak niet even betrouwbaar (denk aan het voorbeeld van de mishandelde (ex)vrouwen). Dat vraagt om doortastendheid en voortvarendheid, niet om liefdadigheid die de waarheid geweld aandoet. We gaan steeds meer in de richting van een samenleving en een rechtssysteem waarin de psychologie van het slachtoffer bepaalt, waarbij het slachtoffer in formele zin steeds ’gelijk’ heeft. Terwijl juist in de rechtszaal geldt: gelijk hebben is niet hetzelfde als gelijk krijgen. Dat zou voor het slachtoffer niet anders moeten zijn.