Voor de tweede keer sinds zijn aantreden als partijleider van GroenLinks, heeft Jesse Klaver een boek geschreven waarin hij een deel van zijn visie op de maatschappij uit de doeken doet. ‘De Empathische Samenleving’ is zoals de titel al enigszins doet vermoeden een pleidooi voor meer onderling begrip en vertrouwen. Jesse schetst zijn kijk op de stand van het land in moreel, cultureel en sociaal opzicht.

In het nawoord zullen we lezen dat Jesse eigenlijk helemaal geen tweede boek wilde schrijven. Dat kost veel tijd en energie die hij ook had kunnen besteden aan de politiek en het verbeteren van Nederland. Maar de uitgever wist hem toch te overtuigen en zodoende klom Jesse alsnog in de pen. Wat zouden we immers moeten zonder zijn parels van een pennenvruchten?

‘Minder, minder’

Het boek begint met een terugblik op de ‘minder, minder’-uitspraken van Geert Wilders. Jesse heeft Marokkaanse roots en daardoor voelde hij zich destijds aangesproken op zijn identiteit. En daar is hij behoorlijk van geschrokken, zo lezen we. Godzijdank werkt Jesse dit niet verder uit met een pleidooi voor het inperken van de vrijheid van meningsuiting, zoals veel collega’s vermoedelijk wel zouden hebben gedaan. Wel wijst Jesse op de polariserende en hatelijke uitwerking van de woorden van Wilders. Hij verplaatst zich in een jonge Marokkaanse jongen die in Nederland al jaren zou worden gedemoniseerd en weggezet. Gewantrouwd vooral. Jesse kan zich best voorstellen dat je je dan af gaat keren van de maatschappij. Die maatschappij is tenslotte niet empathisch genoeg. Waarvoor we dan precies empathie moeten hebben in dit geval wordt nog niet helemaal duidelijk.

Jesse zelf is dus ook van Marokkaanse afkomst, maar door zijn Nederlandse achternaam weten mensen dat vaak niet. Ook dat is volgens hem een vorm van privilege. Mensen met een exotische naam worden in Nederland volgens hem nu eenmaal veel meer de maat genomen dan mensen met een Nederlands klinkende naam. Hij onderbouwt die bewering verder niet, maar dat is hem vergeven. Deze discussie is, van welke kant je het ook bekijkt, een welles-nietesspelletje. Dit gedeelte van het boek  gaat vooral over racisme en vooroordelen die leven in de maatschappij. Jesse probeert hier genuanceerd over te zijn, maar duwt gekleurde minderheden te snel in een absolute slachtofferrol.

Culture war

Ook vergelijkt Jesse in zijn boek de Nederlandse situatie met de zogenoemde ‘culture war’ in de Verenigde Staten. We zouden dat steeds meer overnemen van onze trans-Atlantische vrienden. Als voorbeeld noemt Jesse de discussie rondom Zwarte Piet en de ophef over een naar verluidt racistische attractie in de Efteling. Er is daarover volgens Jesse geen normaal gesprek mogelijk omdat men in de verdediging schiet en weigert te luisteren naar elkaars argumenten. De emoties lopen daarbij hoog op en dat is zorgelijk, zegt Jesse. De clichés waren blijkbaar extra in de aanbieding toen hij dit hoofdstuk schreef. Maar het is wel actueel.

In al deze ontwikkelingen bespeurt Jesse een trend: we zijn allemaal op zoek naar identiteit en willen die vervolgens ook verdedigen. Mensen willen een wij-gevoel hebben, maar daardoor worden er ook mensen uitgesloten. Waar een ‘’wij’’ is, is tenslotte ook een  ‘’zij’’. Jesse vindt dat jammer, maar een oplossing is niet gemakkelijk. We noteren weer een platitude.

Nationalisme

Het boek van Jesse verzandt helaas in een opsomming van maatschappelijke constateringen. Niet eens constateringen die hij zelf heeft gedaan, maar die al jaren zo beschreven en gevoeld worden. Als politicus is het wel de taak van Jesse om met oplossingen te komen en die probeert hij dan ook te beschrijven. Een ervan is het organiseren van een nieuwe nationale feestdag. Niet op basis van religie, want dat sluit mensen uit, maar op basis van Nederlanderschap en onderlinge verbondenheid. Dat juist over dat begrip zoveel onenigheid bestaat en dat dit daarom ook een uitsluitend feest zou zijn, vergeet Jesse even. Maar het boek is niet zo dik, dus het zal wel niet te ingewikkeld moeten worden.

Het boek komt nu en dan haast nationalistisch over. Dat zal de lezer wellicht verbazen, maar Jesse bedoelt dit uiteraard op een andere manier dan iemand als Geert Wilders dat volgens hem bedoelt. Jesse is trots op Nederland vanwege de verworven vrijheden en dus ook de godsdienstvrijheid. Tegelijkertijd ziet hij ook dat die vrijheid juist is gewonnen ten koste van religieuze machthebbers uit het verleden. Jesse vindt dat juist daarom het debat over nationale identiteit niet aan rechtse partijen en groepen mag worden overgelaten. Ook linkse mensen mogen trots zijn op ons land en daarmee op de verworven vrijheden en idealen. Het boek bevat veel clichés en platitudes, maar dit is een verfrissend geluid. Linkse politici durven hun handen hier doorgaans niet aan te branden. Het moet Jesse worden nagegeven dat hij hier binnen links-progressieve kringen een heikel punt aansnijdt.

Sympathiek

Enigszins tot mijn persoonlijke verrassing heeft het boek alles bij elkaar wel iets sympathieks. Natuurlijk heeft Jesse gelijk wanneer hij zegt dat de maatschappij stevig is gepolariseerd en dat er weinig onderling begrip is. Een pleidooi voor meer empathie kan ook helemaal geen kwaad. Ook laat Jesse zich niet verleiden tot het veroordelen van de mensen die aan de ‘andere’ zijde staan. Het zou vermoedelijk weinigen hebben verbaasd wanneer Jesse bijvoorbeeld rucksichtslos had gepleit voor het afschaffen van Zwarte Piet, een onderwerp wat wel veel terugkomt in zijn boek. Het is tenslotte november. Maar ook voor die mensen probeert Jesse de empathie waarover hij spreekt op te brengen. En daardoor kunnen we Jesse ondanks dit clichématige relaas in elk geval niet verwijten dat hij hypocriet is.

Het boek is dun en leest makkelijk weg. Veel nieuwe informatie bevat het niet, maar voor wie in aanloop naar de verkiezingen in maart 2017 geïnteresseerd is in de maatschappijvisie van de Groenlinks-leider is het een aanrader. Dat geldt voor zowel voorstanders als tegenstanders van de partij en de persoon Jesse Klaver. Maar dit zal ook de voornaamste opzet van het boek geweest zijn, want ondanks de koddig aandoende Obama en Trudeau-vergelijkingen van zijn achterban en Jesse zelf, zal hij zelf ook wel beseffen dat er aan hem geen groot visionair verloren is gegaan.