De afgelopen maanden liep Jalta rond in de Pupillenbuurt van de Rotterdamse probleemwijk Het Nieuwe Westen. We gingen op stap met de wijkagent, schreven over de vele bijstandsuitkeringen, de overlast op straat, segregatie, de opvang voor prostituees en de buurtvisie die er nooit kwam. In dit slot een uitgebreid interview met wethouder Maarten Struijvenberg (Leefbaar Rotterdam) over zijn streven om een einde te maken aan Rotterdam als bijstandshoofdstad van Nederland. ‘Als een professor zegt: ik wens niet te prikken voor een uitkering, dan is dat zijn goed recht; een uitkering is geen verplichting.’

struijvenberg-4Maarten Struijvenberg (40), geboren Rotterdammer, is sinds 2014 wethouder Economie en Werkgelegenheid. In de periode 2010-2014 was hij raadslid namens Leefbaar Rotterdam en in 2013 werd hij uitgeroepen tot Rotterdams politicus van het jaar. Struijvenberg ontvangt Jalta in een ruime kamer met hoog plafond op het Rotterdamse stadhuis. De kaart van de gemeente Rotterdam achter hem beslaat de hele muur. Wie goed kijkt, lokaliseert rechts op de plattegrond de wijk Het Nieuwe Westen, van waaruit Jalta de afgelopen maanden inkijkjes gaf in ‘de Bijstandsstraat’. Wethouder Struijvenberg is verantwoordelijk voor de tegenprestaties die Rotterdammers verplicht zijn te leveren wanneer ze een bijstandsuitkering ontvangen.

Het vorige college streefde ernaar 10.000 mensen van een uitkering naar een baan te helpen. Het werden er 7.700. Dit college legt de lat op 12.000, met de helft van het budget. Is dat realistisch?
‘Ja, maar wel uitdagend en ambitieus. Voor de duidelijkheid: je kan op verschillende manieren uitstromen uit de bijstand: verhuizen, de pensioensgerechtigde leeftijd bereiken, gaan samenwonen met iemand met betaald werk of zelf betaald werk vinden. Die laatste manier wil ik 12.000 keer zien in de vier jaar die ik daarvoor heb. Daarmee heb ik nog niets gezegd over de instroom. Het is dus niet dat we zeggen: het aantal uitkeringen moet met 12.000 omlaag. Onze inzet is gericht op één bepaalde vorm van uitstroom, omdat we daarop de meeste invloed hebben. Het vorige college zei: als iemand uitstroomt, maar in dezelfde periode weer terug instroomt, dan tellen we hem niet mee. Wij tellen die wel mee.’

Waarom?
‘Omdat onze inzet er ook op gericht kan zijn om iemand minstens een half jaar uit de bijstand te krijgen. Een half jaar een contract bij een werkgever, daar doen wij moeite voor. Daar zijn ambtenaren mee bezig, we geven er geld aan uit. Natuurlijk hoop je dat iemand na een half jaar niet terugkomt in de bijstand, maar mocht hij onverhoopt toch terugkomen, dan is dat jammer, maar is hij in elk geval een half jaar uit de bijstand geweest. Dus toch een half jaar winst. Vandaar dat ik zeg: die tel ik wel mee.’

Er is geen doelstelling voor een daling van de 38.000 bijstandsuitkeringen?
’38.882 is de stand van de week. U ziet hem daar hangen [wijst naar prikbord achter zich, red.], ik houd ‘m elke week bij. Nee, daar is geen target voor gesteld. Ik mag één target hebben – hoewel ik er meer kan bedenken – maar de officiële collegetargets zijn de doelen die worden gecontroleerd door de Rekenkamer. De gekozen doelstelling van 12.000 lijkt mij de meest logische.’

Ligt u op schema?
‘We liggen vóór op schema, want het doel voor 2014 was 2.000 en het werden er ruim 2.600. Maar het moet natuurlijk wel groeien, want vier keer tweeduizend is achtduizend, dus het doel gaat elk jaar wat omhoog. Dit jaar is het 2.500, het jaar erop 3.300 en tenslotte 4.200.’

Maar het zou dus kunnen dat u slaagt in uw doelstelling, maar dat het getal van 38.000 ongewijzigd blijft. Ik kan me voorstellen dat Rotterdammers ook graag dat getal omlaag zien gaan.
‘Dat kan ik me ook voorstellen. Maar er spelen verschillende dingen. Zo hebben we nu een Participatiewet waarin mensen niet meer kunnen instromen in de Wajong tenzij ze duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn. Dus als je wel arbeidsongeschikt bent, maar niet duurzaam dan wel volledig, kom je in de bijstand terecht. Dat is een extra instroom die er voorheen niet was. De eerste jaren is er dus vooral opbouw van het bestand, mede omdat deze mensen gemiddeld nog moeilijker bemiddelbaar zijn naar arbeid. De eerste voorzichtige schatting is vijfhonderd per jaar, dus dat is al 2.000 in vier jaar. Er zijn natuurlijk vele soorten instroom en uitstroom en die hebben we niet allemaal onder controle. We kunnen niet zeggen: mensen mogen niet scheiden, want dan komen ze in de bijstand. En als het economisch beter of slechter gaat, scheelt dat natuurlijk ook. Maar we hebben afrekenbare doelstellingen, dus 12.000, en als dat niet lukt, moet ik uitleggen waarom niet.’

U heeft weleens gezegd: een uitkering is een vangnet, geen hangmat. Was het een hangmat in Rotterdam?
‘Het was mogelijk. Dat is iets anders dan zeggen dat iedereen in de bijstand het zo beleefde. Ik zal een heel duidelijk voorbeeld geven dat ik in de vorige periode als raadslid heb aangekaart en dankzij mij ook is verlaagd: bijzondere bijstand voor woninginrichting. Kan je krijgen, ben ik niet op tegen. Maar de normbedragen waren te hoog. Het normbedrag voor een bankstel was 1.100 euro. Ik denk dat de meeste mensen die belasting betalen waarvan dit dan weer wordt uitgekeerd aan mensen met een laag inkomen, zelf thuis geen bankstel hebben staan van 1.100 euro. Dus waarom moeten mensen in de bijstand in hemelsnaam 1.100 euro krijgen van de gemeente voor een bankstel? Zot. Dat bedrag is omlaag gegaan naar 800 euro, hetgeen ik nog steeds veel te hoog vond. Inmiddels is het ongeveer 160 euro. Voor mij toont dit aan dat het hangmatgevoel wel mogelijk was – zonder te zeggen dat iedereen zich eraan overgaf.’

Eind dit jaar zijn in 22 van de 42 Rotterdamse wijken mensen met een bijstandsuitkering, die moeilijk bemiddelbaar zijn naar arbeid, verplicht om een tegenprestatie te leveren.

Waarom is dit belangrijk?
‘De maatschappij zegt: we laten je niet aan je lot over als je geen werk of geen inkomen hebt. Dan vind ik het ook normaal dat tegen de mensen die overheidsgeld ontvangen wordt gezegd: we willen graag dat je er wat voor terug doet. In Rotterdam is dat 20 uur vrijwilligerswerk per week. Dat is niet heel veel, want er zit 168 uur in een week, dus je houdt 148 uur over voor al het andere wat je moet doen. Ze mogen zelf kiezen wat voor vrijwilligerswerk ze willen doen. Dus die mensen worden op een heel positieve manier benaderd: wat lijkt jou leuk om te doen? Sommigen maken ’s middags op school de lunch. Iemand anders geeft gastlessen over kunst op een middelbare school. Weer een ander helpt een oud omaatje met haar boodschappen. Er gebeurt dus veel goeds. En als mensen niets kunnen vinden, dan helpen we ze daarmee.’

Hoe reageren mensen met een uitkering op de verplichte tegenprestatie?
‘Daar wordt heel divers op gereageerd. We merken dat er mensen zijn in de bijstand die zeggen: natuurlijk wil ik iets doen, prima. Anderen hebben er weinig zin in, maar doen het toch omdat ze anders worden gekort op hun uitkering. En dat klopt, want dat doe ik ook. Maar ook van die mensen horen we na verloop van tijd: toch was het wel goed. Ze doen sociale contacten op, voelen zich beter en worden gewaardeerd om het werk dat ze doen. Een schouderklopje is ook een hoop waard in een mensenleven. Wie wil niet op een positieve manier gewaardeerd worden voor je werk en wie je bent? Uiteindelijk resteert er dan nog maar een hele, hele klein groep mensen die zegt: ik weiger die tegenprestatie te leveren. Dan hebben we het over een groep van tien á vijftien mensen. Dus dat komt niet zoveel voor.’

Eind 2018 moet de tegenprestatie over alle wijken van Rotterdam zijn uitgerold. Het gaat dan om grofweg 17.000 Rotterdammers. Een ander traject van de gemeente Rotterdam om de instroom te beperken en re-integratie te bevorderen, is Werkloont. Hieronder vallen Rotterdammers met een bijstandsuitkering die relatief goed bemiddelbaar zijn naar werk, bijvoorbeeld omdat ze een recenter arbeidsverleden hebben. Ook bij Werkloont gaat het om verplicht 20 uur, waarvan acht uur werken, acht uur trainingen volgen en vier uur huiswerk. Het traject wordt doorlopen in de eerste vijftien weken dat de uitkering wordt ontvangen. Dit beleid werpt zijn vruchten af: in het eerste jaar is er 12 procent minder instroom en 7 procent meer uitstroom. Maar er is veel kritiek ter linkerzijde. Zo vinden bijvoorbeeld De Correspondent en Buitenhof het niet te verteren dat hoogopgeleiden in een oranje hesje vuilnis moeten prikken.

Wat vindt u van die kritiek?
‘Ten eerste: als je zelf acht uur betaald werk kan vinden, hoef je niet te prikken. Maar mijn rechtvaardigheidsgevoel zegt me dat het niet rechtvaardig is als een professor die een bijstandsuitkering aanvraagt niet zou hoeven te prikken, maar een laagopgeleide wel. Het gaat bij beiden om exact dezelfde belastingeuro’s, dus krijgen ze allebei te maken met exact hetzelfde regime. En als een professor zegt: ik wens niet te prikken voor een uitkering, dan is dat zijn goed recht; een uitkering is geen verplichting. Maar als je die uitkering van mij wil hebben en je bent bemiddelbaar naar werk, moet je één dag in de week ervoor prikken – of zelf voor acht uur werk vinden.’

Of het nu gaat om de tegenprestatie of Werkloont, critici gebruiken termen als ‘dwangarbeid’, ‘repressief beleid’, ‘bijstandshel’… Waar komt die weerstand volgens u vandaan?
‘Bijstandshel, jemig. Dat zei die vrouw in Buitenhof, ja. Nou, dat vond zelfs mijn GroenLinks-collega uit Groningen [die ook in uitzending zat, red.] wat ver gaan. Ik heb het idee dat er te veel wordt gedacht in hokjes, maar dan specifiek één hokje. Het is niet zo dat iedereen in de bijstand in de hangmat ligt. Er zijn ook mensen die ontzettend tegen hun zin in de bijstand zitten en die er alles aan proberen te doen om eruit te komen, maar het lukt niet. Dan ben je niet te benijden, dat is naar. Maar er zijn ook mensen die niet zo hun best doen om uit de bijstand te komen. Ik heb het idee dat één: partijen die spreken over dwangarbeid niet zo goed weten hoe het er in de praktijk aan toe gaat. Ik zou zeggen: ga eens kijken hoe enthousiast die mensen zijn die in een busje ouderen naar de supermarkt rijden. En twee: dat iedereen in de bijstand ontzettend zijn best doet en de overheid er niet bovenop hoeft te zitten, dat is dus niet waar. Het gaat mij om rechtvaardigheid in het systeem. Maar goed, mijn rechtvaardigheid hoeft die jouwe niet te zijn. Dan zijn we het niet eens. Pech.’

Merkt u dat de kritiek afneemt nu de eerste resultaten positief lijken te zijn?
‘Nee. Maar hoe vaak moet je standpunten met elkaar delen? Zij vinden het heel erg en verplichtend, ik vind het een stukje wederkerigheid in het systeem waar het lang aan ontbroken heeft. Zij willen graag een bank van 1.100 euro uitdelen. Ik niet.’

Sommigen wijzen op het gevaar van arbeidsverdringing.
‘Dat is een punt dat aandacht vergt. Het is niet de bedoeling dat we bedrijven het nu moeilijk gaan maken omdat wij met vrijwilligers vanuit de bijstand dingen gaan doen. Maar er is nog zo veel extra werk te doen. Het klaarmaken van de lunch op school, het rijden van het busje voor ouderen – dat soort dingen waren er eerst niet. En ook de straten, als we het hebben over Werkloont, mogen wel wat schoner. Dus er is nogal wat te doen in de stad, me dunkt.’

Duizenden Rotterdammers zijn als vrijwilliger bezig in buurthuizen, in moskeeën – hoe houdt u in de gaten of ze hun uren wel maken?
‘Er wordt een overeenkomst gesloten en die krijgen we opgestuurd. Dan is de vraag vervolgens: gebeurt ook consequent wat daarin staat? Dat is een kwestie van goed contact met die vrijwilligersorganisaties en steekproefsgewijs ook controleren. Ik pretendeer niet dat als je overal stoplichten neerzet er nooit iemand door rood rijdt, maar ik weet wel dat we controleren of het gebeurt.’

De begeleiding naar vrijwilligerswerk en de controles erop lijken mij vrij duur. Is dat het waard?
‘Het mag geld kosten. Maar ik doe niet alsof ik een foolproof systeem heb, want dan gaat het qua kosten echt uit de klauwen lopen. Je hebt er altijd kosten aan: onderhoud en controle horen er gewoon bij. Maar het is niet zo dat er elke week bij iedere vrijwilligersorganisatie een ambtenaar van de gemeente komt turven. Dat is niet bevorderlijk voor de sfeer bij zo’n organisatie en bovendien zou dat veel te duur zijn. Dus we creëren een pakkans, maar controleren niet alles. We vertrouwen ook op de organisaties dat zij ons melden wanneer iemand niet komt opdagen.’

Voor de uitvoering van dit beleid bent u ook afhankelijk van de maatschappelijke organisaties, waar doorgaans niet de grootste fans zitten van uw beleid. Wat merkt u daarvan?
‘We hebben al duizenden mensen geplaatst, dus het gaat vrij goed. Als ze zouden zeggen: we willen niemand uit de bijstand, want dat is dwangarbeid, dan zou ik niemand kunnen plaatsen. Maar het lukt al duizenden keren. Dus in de praktijk zien we het bewijs dat het niet op die manier wordt beleefd. En terecht.’

Als critici zeggen: de tegenprestatie leidt niet tot een vaste baan, wat is dan uw reactie?
‘Het zijn er niet veel, maar het komt voor. Een vaste baan kan de uitkomst zijn, maar het is niet het primaire doel. Vergeet niet: het gaat om mensen die moeilijk bemiddelbaar zijn naar arbeid, dus het is ook een groep waarvan je – los van de tegenprestatie – niet verwacht dat ze snel aan een baan komen. Nou, dan mogen ze in de tussentijd de tegenprestatie doen. En als dat tot een baan leidt: prima, mooi meegenomen.’

Die statistieken aan de muur over het aantal uitkeringen, is dat wat u motiveert?
‘Ja. Ik vind het heel belangrijk om er bovenop te zitten, want Rotterdam heeft natuurlijk een ontzettende issue met het aantal mensen in de bijstand. Want bijna 39.000 mensen is de bijstand is wel héél veel. En dat is een probleem. De kern van mijn beleid is mensen naar betaald werk begeleiden, en in het saldo ligt zoals gezegd geen doelstelling, maar het idee is natuurlijk dat als we dit alles niet zouden doen, dat het saldo nog verder zal oplopen. Het heeft een dempend effect, in elk geval. En ik hoop natuurlijk dat het daalt. Maar als mensen er recht op hebben, krijgen ze het wel. Ik wil er alleen wat voor terug. Dat is ook belangrijk: er zitten dan wel veel mensen in de bijstand, maar als het mij lukt om 17.000 mensen vrijwilligerswerk te laten doen voor hun uitkering, dan kost het nog steeds heel veel geld, maar dan krijgen we er als maatschappij ook veel meer voor terug.’

Is Rotterdam nog de arbeidersstad waar ze vaak voor gehouden wordt?
‘Ja, dat geloof ik. Heel veel mensen werken ook, hè, in Rotterdam. Die zijn er gelukkig ook nog. Maar je ziet in sommige wijken en straten wel de concentratie: wie hier heeft eigenlijk nog een betaalde baan? Soms kan je het op de vingers van één hand tellen. Stel, je groeit daar op. Vader in de bijstand, moeder in de bijstand, buurvrouw in de bijstand. Dan is de kans dat jij daar later in belandt ook aanzienlijk. Als je dat ziet, dan ga je in generaties denken en niet alleen aan de dag van morgen. En dan ga je ook aan andere dingen denken: dat alleenstaande ouders middelbare school afronden, dat kinderen de taal leren, dat er rechtvaardigheid komt – niet alleen voor de belastingbetaler, maar ook voor de kinderen in die buurten. Als we de problemen in dat soort wijken – en in de straat waar Jalta de afgelopen maanden was – kunnen doorbreken, dán denk ik dat we op termijn de titel bijstandshoofdstad kunnen doorgeven aan een andere gemeente.’