Geweld in de trein, geweld bij het stadion, geweld op straat. Elke week, elke dag lezen we erover. Afgelopen weekeinde: meisje van 15 wordt door onbekende jongeman met stoeptegel zwaar toegetakeld in haar gezicht. Afgelopen weken – het hield niet op – werden treinconducteurs mishandeld, met messen bedreigd, botbreuken in het gezicht geslagen. Hooligans die rovend en slopend door stadscentra trekken, we hoeven het niet in de herinnering te roepen.

Krakers die met volstrekt misplaatste maatschappijkritiek zich eigendommen van anderen toe-eigenen en die met buitensporig geweld verdedigen. Daders: vrijwel zonder uitzondering mannen, vaak jong, jeugdpuistjes nog op blozende wangen. Razend slaan ze om zich heen, vaak zonder enige reden, alsof niet beschaving maar de wetten van de jungle het enige is wat ze drijft.

Het geweld heerst op straat. De publieke ruimte is onveilig, er is geen ontkennen meer aan. En dat was niet altijd al zo. Er is iets aan het veranderen in onze samenleving. De criminaliteitscijfers dalen, maar dan gaat het vooral om de grote gewelds- en vermogensdelicten zoals moord en diefstal. Misdrijven waar het opsporings- en vervolgingsapparaat bovenop zit. Openbare geweldpleging onttrekt zich aan die trend. De CBS-statistiek van dat geregistreerde delict is grillig, lijkt wat te dalen de afgelopen jaren maar steeg daarvoor juist gedurende lange tijd. Op straat, in de trein, ‘s avonds in uitgaanscentra moet je oppassen. Je kan klappen krijgen, of erger. En er is geen capaciteit bij politie en justitie om het allemaal in de gaten te houden, laat staan te vervolgen.

Falen van de staat

Beleidsmakers signaleren de trend. De Stichting Maatschappij en Veiligheid, voorgezeten door veiligheidsprins Van Vollenhoven raadde het kabinet vorige week aan burgermoed als oplossing in te roepen. Sommige politici namen het over, maar er kwam ook kritiek. Waarom moeten burgers risicovolle taken van de staat overnemen – is dat geen bewijs van het falen van die staat?

Er zijn grofweg drie mechanismen die van onze hoogontwikkelde en dichtbevolkte jungle een veilige en vertrouwde leefomgeving maken, waar bejaarde vrouwtjes net zo veilig over straat kunnen als uit de kluiten gegroeide adolescenten. Voorop staat het vermogen tot zelfcontrole van het individu, geïnternaliseerd door een geslaagde socialisatie. Gaat daar wat fout mee, is er de controle van zijn omgeving die corrigeert, tot de orde roept. Is dat niet toereikend, dan komt de overheid om de hoek kijken. Met als ultiem middel een wapen dat haar ook in de democratische rechtsstaat gegeven is: geweld. Waar in een gezonde samenleving de staat een alleenrecht op heeft. Het geweldsmonopolie van de staat houdt het geweld van de straat.

In dit systeem lijkt iets ernstigs mis te zijn. We constateren al dat steeds meer mannen, vaak adolescenten die aan het einde van hun meest vormende socialisatieperiode worden vrijgelaten in de publieke ruimte, volledig los gaan. Hoe dat komt is niet het onderwerp van dit betoog. Waarom de twee andere controlerende en corrigerende mechanismen vervolgens falen wel.

Waarom werkt sociale controle niet meer? “Ik wil geen gedoe, ik wil naar huis”, kopte NRC Handelsblad boven een stuk over de reacties van burgers die geconfronteerd worden met openbare geweldpleging voor hun ogen. We willen er niks meer mee te maken hebben. We durven het niet, je zal zelf maar slachtoffer worden. Maar we vinden het ook niet meer nodig. In een samenleving waar iedereen alles mag, waar iedereen rechten claimt en neemt, en weigert nog aangesproken te worden op plichten, trekken burgers zich terug achter de voordeur.

Pietje Bell

Maar er is nog een ander fenomeen waardoor sociale controle niet meer functioneert als disciplinerend instrument. De Pietje Bell die in de jaren dertig of vijftig van de vorige eeuw een appel stal bij de groentestal werd door de buurman gesignaleerd, erbij gelapt en door vader Bell bij de groenteman weer afgeleverd. Pietje schaamde zich kapot. De wereld van Pietje Bell was overzichtelijk; iedereen kende elkaar, er liep niemand op straat die niet bekend was. Anoniem je gang gaan in de openbare ruimte was er niet bij. Criminaliteit en geweld op straat was een factor 1000 lager dan nu.

En dat is nu wel anders. Dichtbevolkter dan ooit, met mensen uit alle windstreken die komen gaan: onze samenleving is massaal, complex en anoniem geworden. Geen buurman, oom of tante die je signaleert en jouw sociale omgeving aanzet tot correctie. In die anonieme massaliteit gedijt het kwaadwillende individu. Sla je slag, rij zwart, jat en sla erop, de massa dekt je aftocht wel. Ook de overheid mist daardoor de kans om in te grijpen en haar geweldsmonopolie toe te passen. Het verliest vervolgens dat monopolie, een angstaanjagende bedreiging van onze democratische rechtsstaat. Niet populistische politici of barbaarse terroristen zijn een bedreiging voor die rechtsstaat, het zijn struikrovende outlaws in onze straten die de roep om totalitaire machthebbers zo sterk zal doen aanwakkeren dat ze uiteindelijk in het zadel geholpen zullen worden.

Camera’s

In de gedragspsychologie is het belang van sociale controle en het gevaar van anonimiteit al decennia bekend. Dodd toonde in 1985 aan dat door anonimiteit normaal gedrag sneller omslaat in antisociaal, crimineel gedrag. Sampson en Laub toonden in de jaren negentig het belang van sociale banden aan en hoe het ontbreken daarvan een criminele carrière aanwakkert. En eigenlijk weten we het zelf ook wel. Want wat denkt de winkelier anders als hij camera’s ophangt in zijn zaak, of de wethouder als hij camera’s laat installeren op de straten in het centrum? De pogingen van burgers om met nieuwe, moderne technieken meer controle te krijgen op de openbare ruimte zijn in feite pogingen om de sociale controle terug te brengen in de samenleving.

“Progressieve” kringen reageren daarop als door een adder gebeten. De privacy van burgers is in het geding. Big brother wordt te machtig. In onze informatiemaatschappij worden al teveel gegevens van burgers verzameld en opgeslagen, en het kan allemaal tegen ze gebruikt worden. We kennen zelfs al een toezichthouder die moet toezien op het weren van misbruik van persoonsgegevens.

Maar keert hier de wal het schip niet? Hoe houdbaar zijn rechten van burgers nog, als diezelfde burgers ze ongestraft zo gaan misbruiken dat de rechtsstaat zelf in gevaar komt? Als burgers het publieke domein onleefbaar maken, de democratisch gekozen bestuurders dat niet meer kunnen corrigeren en de sociale omgeving zich heeft teruggetrokken, hoe levensvatbaar is de democratische rechtsstaat dan nog?

ID-chip onder de huid

Mijn stelling is daarom: draai de privacydiscussie nu diametraal om. Er moet minder privacy komen, nog veel minder dan nu. De sociale controle moet terug in de samenleving. We moeten de anonimiteit van de burger opheffen. Jongemannen en andere criminelen mogen zich nergens meer onbespied wanen, net zoals vroeger. Niet in de trein, niet in of bij het stadion, niet in het café. Maak gebruik van de oneindige mogelijkheden van de digitale techniek. Plaats meer camera’s, met gezichtsherkenning, met koppeling van gegevens uit diverse bestanden. Stuur drones het luchtruim boven bedreigde openbare ruimtes in.

Als dat niet nog niet genoeg is, maak dan identificatie van individuen nog makkelijker. Sla DNA-profielen van àlle burgers op. Stel een chip met ID-tag permanent verplicht voor elke burger, desnoods onder de huid geïnjecteerd, zodat identificatie en opsporing op beeld of vanuit de lucht nog simpeler wordt. Uiteraard leven we nog steeds in een rechtsstaat, en gelden de maatregelen voor iedereen, dus ook voor u en mij. Maar wij hebben niets te verbergen toch? Misschien moeten we een aantasting van rechten en privacy op de koop toenemen, willen we de dictatuur echt buiten de deur houden.